Over de Zijnsstatus van de Versnelling.

Uit zijn bekende experiment met een roterende emmer met water trok I.Newton de conclusie dat de versnelde beweging een bijzonder referentiekader moest hebben en hij dacht dat dat alleen een onafhankelijke, absolute, ruimte kon zijn. Dit argument is nooit weerlegd en veel natuurkundigen, o.a. de bekende Nederlandse natuurkundige Vincent Icke, nemen, mede op grond van dit argument, na 300 jaar nog steeds aan dat de ruimte substantieel zou moeten zijn. Het argument is volgens mij echter momenteel, nu bekend is dat energie en materie equivalent zijn, eenvoudig weerlegbaar als men daarbij ook maar duidelijk inziet dat de 2 componenten waaruit een versnelling bestaat, verandering van positie en verandering in snelheid, fundamenteel van elkaar verschillen in zijnsstatus. Terwijl de eerste component duidelijk niet werkelijk iets is, een zuiver relatief karakter heeft en alleen en uitsluitend ten opzichte van een referentiekader waargenomen kan worden, geldt dit beslist niet voor de tweede component, die werkelijk iets is en daarom helemaal geen referentiekader nodig heeft om waargenomen te kunnen worden.

 

Versnelling, verandering van snelheid. is duidelijk een vorm van kracht, is pure energie, is duidelijk werkelijk iets. Een object kan alleen maar versnelling krijgen terwijl er een kracht op werkt en omgekeerd vindt versnelling alleen plaats terwijl er een kracht werkzaam is. Verandering van snelheid is pure, meetbare energie en wat meetbaar is, is niet relatief. Versnelling kan uitgedrukt worden in hoeveelheid energie, volgens Newton geldt F=ma waaruit volgt dat a=Fm, terwijl beweging en snelheid niet uitgedrukt kunnen worden in energie, zelf ook helemaal niet kracht zijn. De verandering in snelheid is evenredig aan de toegevoegde kracht, aan die formule van I.Newton. Die wist niet dat energie en materie equivalent zijn en dus dezelfde zijnsstatus moeten hebben maar dat is natuurlijk zeer belangrijk. Volgens de huidige opvatting is energie gelijk aan materie en hieruit volgt dat veranderingen in snelheid exact dezelfde zijnsstatus hebben als materie en net als materiėle objecten dus helemaal geen referentiekader nodig hebben om waargenomen te kunnen worden. De versnelling zelf is een continue reeks impulsen die dus de snelheid en de richting van een beweging veranderen, maar is duidelijk niet zelf beweging of snelheid. Van een continu versneld voorwerp wordt continu de traagheid, de constante rechtlijnige beweging, verstoord, het voorwerp heeft continu de "neiging" om recht door te gaan, een "neiging" die in de versnelde beweging continu door een impuls verandert wordt. Die impuls veroorzaakt dus alleen en uitsluitend een verandering in snelheid of de richting, maar verandert niet rechtstreeks de positie. De verandering van positie vloeit voort uit de traagheid, de beweging van een voorwerp waarop geen kracht wordt uitgeoefend is alleen maar de consequentie van de traagheid die zelf geen kracht is, alleen het onvermogen is om te veranderen. De impuls en de verandering van snelheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder impuls geen verandering van snelheid, geen verandering van snelheid zonder impuls. Dit impliceert dat impuls en verandering van snelheid identiek zijn, dat verandering van snelheid een specifieke vorm van energie is naast materie, met dezelfde aard, dezelfde zijnsstatus. Energie is materie en precies zoals een materieel object "er-is", waargenomen kan worden dus, omdat het ook iets "is", zo geldt dus ook dat de verandering van snelheid, energie, "er-is", omdat die ook iets "is", net als materie een vorm van energie is. Verandering van snelheid is een directe manifestatie van energie net als materie, versnelling is pure energie die iets "is" en daarom en alleen ook maar daarom ook "er-is". De verandering van snelheid is werkelijk iets en is helemaal niet relatief zoals de beweging en heeft voor zijn "er-zijn", om waargenomen te kunnen worden, net als een materieel object, helemaal geen referentiekader nodig. Verandering van snelheid is dan ook voelbaar, met gesloten ogen, zonder referentiekader waarneembaar dus, in b.v. een versnellende trein.

 

Vincent Icke, die de opvatting dat ruimte en tijd substantieel zouden zijn fel verdedigt, drukt in zijn boek "Christiaan Huygens" (Hist.Uitg.2005)  zijn  bewondering uit voor het inzicht van Huygens dat beweging en snelheid, de eerste component, de verandering van positie dus, slechts relatief zijn. Ik denk dat hij volkomen gelijk heeft als hij stelt dat verandering van positie een zuiver relatief karakter heeft. Maar ik denk ook dat hij toe zal moeten geven dat de verandering in snelheid werkelijk is, daarom helemaal geen referentiekader nodig heeft en dat Newton"s argument, dat bewijs voor het onafhankelijk bestaan van ruimte en tijd dus niet geldig is.

 

Home