Over de Roterende Emmer met Water van I.Newton.

De stelling dat er een bijzonder referentiekader nodig zou zijn voor de versnelde beweging is nog steeds het belangrijkste argument voor de juistheid van de substantiŽle visie op ruimte en tijd. Ten onrechte, want alleen voor de zijnsstatus van de beweging zelf, de verandering in de positie dus, is een referentiekader nodig, voor de zijnsstatus van de versnelling, de verandering in de beweging, is helemaal geen referentiekader nodig. Beweging en snelheid "zijn" niet werkelijk en wat men "traagheid"  noemt is geen kracht.

Deze tekst gaat over de aard, de "zijnsstatus, van beweging, snelheid en traagheid, een zijnsstatus die natuurlijk van cruciaal belang is voor het antwoord op de vraag naar de zijnsstatus van ruimte en tijd,of die al of niet iets "zijn" of "niet-zijn" dus. De zoektocht naar dit antwoord duurt al 300 jaar sinds de controverse hierover tussen I.Newton en G.W.Leibnitz. I.Newton stelde dat ruimte en tijd absoluut moeten "zijn", dat wil zeggen moeten bestaan onafhankelijk  van de objecten en de gebeurtenissen, het substantiŽle standpunt. Leibnitz stelde daarentegen dat ruimte en tijd niet zelfstandig bestaan maar gewoon alleen opgeroepen worden door de objecten en de gebeurtenissen, dus geen objecten en geen gebeurtenissen dan ook geen ruimte en tijd, "niet-zijn" dus, het  relationele standpunt. Beslist is dit dispuut nog steeds niet. Het belangrijkste argument van I.Newton en vele anderen voor het bestaan van een absolute ruimte en tijd en voor het afwijzen van de relationele visie op ruimte en tijd van Leibnitz is hierbij de aanname dat versnelling als zijnde puur een vorm van snelheid een referentiekader zou moeten hebben, niet alleen de materie in de omgeving zoals bij een constante beweging en volgens I.Newton zou dat alleen de absolute ruimte kunnen zijn. Later zou dit volgens de Oostenrijkse fysicus E.Mach ten opzichte van de stellaire massa moeten zijn. Dat bijzonder referentiekader wordt door de natuurkundigen momenteel niet meer gezien als een absolute ruimte maar als een onafhankelijk bestaande ruimte/tijd structuur.

Newton's bekende proef met een roterende emmer met water aan een gedraaide kabel waarin het water een concave stand behoudt zonder referentiekader bewees volgens hem dat die concave stand alleen verklaard kon worden ten opzichte van een absolute ruimte. Hierbij wordt een emmer met water opgehangen aan een lang koord waarna het koord zo ver mogelijk rondgedraaid wordt. Dit wordt losgelaten waarna eerst de emmer gaat draaien en daarna ook het water. In het begin is het oppervlak van het water vlak maar als het water de beweging van de emmer steeds meer overneemt gaat het water omhoog staan tegen de wand van de emmer, de concave stand. Het behoudt die concave stand tijdens het gelijkmatig ronddraaien van het water met de emmer, waarbij het water dus in rust is ten opzichte van de emmer. Het probleem van I.Newton is dat het water de concave stand heeft als het niet beweegt ten opzichte van de emmer terwijl de beweging van het water toch ten opzichte van iets moet plaatsvinden, dat geldt voor alle bewegingen. De concave stand van het water tegen de wand van de emmer is volgens hem het gevolg van een kracht en die kracht vindt hij, net als de zwaartekracht, zo universeel en bijzonder dat die concave stand ook een bijzonder referentiekader moet hebben, de absolute ruimte. I.Newton en E.Mach en vele natuurkundigen zien versnelling als een absolute, pure, vorm van snelheid die dus ook zou moeten bestaan ten opzichte van een bijzonder referentiekader, niet de gewone materie dus. 

Er is veel literatuur over dit onderwerp. Sklar o.a. (blz.158/234), een verdediger van Newton, behandelt het probleem van Newton uitvoerig, maar komt tot de conclusie dat de kwestie nog steeds niet is opgelost. Hij benadrukt dat Newton stelde dat hij geen rechtstreeks filosofisch bewijs had voor  substantiŽle standpunt maar dat het bestaan van zijn absolute ruimte alleen afleidbaar is uit het feit dat wij de versnelling duidelijk kunnen voelen en uit zijn experiment met de roterende emmer met water. Hiermee staat of valt Newton's bewijs voor het bestaan van een absolute ruimte. Allerlei andere argumenten die voor deze visie zijn aangevoerd en die Sklar behandelt zijn van ondergeschikt belang, ook de moderne ruimte/tijd constructies zegt Sklar geven niet een duidelijke oplossing voor het probleem van Newton. Ook Greene (blz.37/54) behandelt het probleem uitvoerig maar ook bij hem draait alles om de proef met de emmer water en het antwoord op de vraag waarom men bij constante beweging niets voelt en bij versnelling wel. Zowel de teksten van Sklar, Greene en alle anderen gaan over deze vraag. Ik ben een relationist en ik denk dat ik mij voor de verdediging van het relationisme daarom kan beperken tot de bewijsvoering dat vanuit de relationele visie Newton's bewijs te weerleggen is. Die bewijsvoering is vrij eenvoudig als men maar uitgaat vanuit de juiste zijnsstatus van beweging, snelheid en traagheid.

"Zijnsstatus" is dus een belangrijk begrip in deze teksten en dat is zo omdat er duidelijk een fundamenteel verschil in het bestaan van fenomenen die waargenomen worden en "er-zijn", eenvoudig omdat ze ook  iets "zijn" en fenomenen die alleen maar afhankelijk waargenomen worden, "er-zijn" dus, zuiver als verschijning t.o.v. een referentiekader, zonder zelf iets te "zijn". De Duitse filosoof Heidegger heeft er al op gewezen dat "zijn" en "er-zijn"  fundamenteel verschillende begrippen zijn, hij stelde terecht dat "zijn" een werkwoord is en "er-zijn" niet.  Ik denk dat het belangrijk is dit verschil op het gebied van de fysica uit te werken. Ik ga er daarom op wijzen dat onze realiteit, alles wat aan onze zintuigen verschijnt dus, duidelijk gevormd wordt door twee soorten fenomenen, fenomenen die "er-zijn" omdat ze ook iets "zijn" en door fenomenen die alleen maar "er-zijn" maar niet iets "zijn" en ook niet afhankelijk "zijn" zoals men makkelijk foutief stelt, maar alleen afhankelijk "er-zijn" t.o.v. een referentiekader. Ik ga er dus op wijzen dat onze realiteit, alles wat "er-is" dus, gevormd wordt door fenomenen die "zijn" en door fenomenen die niet "zijn". Ik ga er op wijzen dat dit verschil in zijnsstatus minstens net zo belangrijk is als het verschil tussen anorganisch en organisch "zijn". Een helder inzicht in het fundamentele verschil van die twee vormen van "er-zijn" is nodig voor het begrijpen van deze tekst, "zijn" impliceert "existeren", "er-zijn" niet. Leest U deze alinea dus maar tweemaal.

Hierbij komt dat vanuit het dialectische denken in de filosofie van o.a. de Duitse filosoof  Hegel wordt gesteld dat "Zijn" onvermijdelijk "niet-zijn" oproept waaruit volgt dat onze realiteit, alles wat "er-is", daadwerkelijk moet bestaan uit fenomenen die "zijn" en uit fenomenen die "niet-zijn". Ik wil er hier op wijzen dat dit dialectische denken wetenschappelijk verantwoord is omdat onze realiteit duidelijk gevormd wordt door fenomenen die "er-zijn" omdat ze ook "zijn"  en door fenomenen die alleen "er-zijn" maar niet "zijn", door fenomenen die er dus op wijzen dat wij  leven in een proces tussen "zijn" en "niet-zijn" en ik wil vragen om een open oog voor de consequenties hiervan voor de wetten van I.Newton. Ik  ga er alleen op wijzen dat onze realiteit zonder twijfel gevormd wordt door fenomenen die "zijn" en door fenomenen die niet "zijn" omdat "zijn", wat de essentie daarvan ook mag zijn, in ieder geval onvermijdelijk de actualiteit, het "er-zijn" dus, van "niet-zijn", van aspecten van het absolute Niets, oproept. "Zijn" zelf is moeilijk te definiŽren, maar het verschil tussen "zijn" en "niet-zijn" is duidelijk waarneembaar. Ik denk met Hegel dat dat "Zijn" een absolute Geest is, maar ik vraag in deze tekst niet om dat te accepteren. Men mag van mij "zijn" interpreteren als  "een subatomair substraat hebben" want volgens mij komen de subatomaire fenomenen voort uit "zijn", dat ook energie is, in een alles omvattend spanningsveld tussen "zijn" en "niet-zijn". Maar in mijn visie op "zijn" hoeft met niet te geloven, het gaat in deze tekst niet om de aard van "zijn", ik wil er alleen op wijzen dat het dialectische denken wetenschappelijk verantwoord is. Het gaat in deze tekst niet om de aard van "zijn" maar ik wil er op wijzen dat de uit de dialectiek voortvloeiende visie op ruimte en tijd juist moet zijn. 

Er zijn heel veel fenomenen die alleen maar "er-zijn" en geen subatomair substraat hebben, niet "zijn" dus. Dit  geldt zeker heel duidelijk voor fenomenen als  o.a. verschil of gelijkheid in grootte van objecten. Die "zijn-er" duidelijk alleen maar en kunnen alleen maar waargenomen worden ten opzichte van hun referentiekader.  Twee stenen b.v.van verschillende grootte "zijn", dat wil zeggen ze "existeren", ze hebben een subatomair substraat en "zijn-er" ook als gevolg van hun "zijn" , want alles wat "is", "is-er" ook als gevolg daarvan. Maar het verschil in grootte tussen twee voorwerpen "is" duidelijk niet, het is niets, het heeft geen sub-atomair substraat, het is duidelijk een fenomeen dat alleen maar fenomeen is, niet relatief  "is" zoals men vaak slordig aanneemt, maar alleen relatief  "er-is" en niet "is", niet "existeert". Zeer slordig, want het begrip "relatief zijn" is even duidelijk een tegenspraak in zichzelf als het begrip "vierkante cirkel", een fenomeen kan alleen maar relatief "er-zijn". Dit cruciale verschil in "er-zijn" eenvoudig als gevolg van "zijn" en "er-zijn" alleen maar ten opzichte van een referentiekader zonder te "zijn" lijkt van secundair belang bij verschillen en krijgt wellicht daardoor onvoldoende aandacht in de natuurkunde terwijl het gaat om het meest fundamentele verschil dat er is, het verschil tussen "zijn" en "niet-zijn", tussen voortkomen uit "iets" wat dat dan ook mag zijn en voortkomen uit het absolute Niets. Onvoldoende aandacht, want het geldt ook voor het uitgangspunt van dit artikel, voor beweging en snelheid, ook die "zijn-er" alleen maar, maar "zijn" niet, een inzicht dat al sinds de Middeleeuwen verdedigd is door bekende filosofen zoals o.a. AverroŽs, Ockham, Huygens en Leibnitz. Dit belangrijk verschil in zijnsstatus wordt door de medestanders van I.Newton genegeerd, zeer slordig, want de consequenties van dit inzicht zijn zeer belangrijk.

Men zou volgens mij beter moeten beseffen dat de versnelde beweging uit twee componenten bestaat die ieder een fundamenteel verschillende zijnsstatus hebben, "er-zijn" om fundamenteel verschillende reden dus. En dat zijn de beweging zelf, de verandering in de positie en de verandering in de beweging die duidelijk niet zelf beweging of snelheid is. De eerste component, de positie-verandering, "is" niet, "is-er" alleen maar ten opzichte van een referentiekader, al de andere objecten en gebeurtenissen dus. De tweede component, de verandering in de beweging, "is" wel, is kracht, impuls die uitgeoefend wordt en die "is-er" als gevolg van het "zijn" van kracht, van energie, die "is", die "is-er"  dus omdat die ook "is". Alleen fenomenen zoals de positie-veranderingen die alleen maar aan ons  verschijnen maar niet "zijn", niet "existeren", hebben een referentiekader nodig om waarneembaar te worden. Veranderingen in de snelheid van een beweging "zijn-er" gewoon omdat ze "zijn", die hebben helemaal geen referentiekader nodig voor hun "er-zijn", die veranderingen zijn niet zelf beweging of snelheid maar "zijn-er" als gevolg van kracht, van energie die "is", die gelijk is aan materie net als een steen en die veranderingen "zijn-er" dus omdat die ook "zijn". Voor het "er-zijn" van de veranderingen in de beweging is dus geen bijzonder referentiekader, geen onafhankelijke ruimte/tijd structuur nodig.

Dit fundamentele verschil tussen het "er-zijn" van de beweging ten opzichte van een referentiekader en het "er-zijn" van de verandering in de beweging op basis van het "zijn" van de kracht die het veroorzaakt, wordt bij de behandeling van dit probleem door de aanhangers van het substantiŽle standpunt volledig genegeerd, hoewel mensen als Huygens en Leibnitz  toch al lang inzagen dat een beweging niet werkelijk zelf iets "is". Men ziet voortdurend over het hoofd dat de beweging in feite niets is, niet bestaat in de zin van "existeren", dat er dus geen hoeveelheden beweging en snelheid bestaan. Als gevolg daarvan beseft men ook niet dat wat men als oorzaak van de constante beweging ziet, wat men traagheid noemt, in feite een niet-zijnde moet zijn, niet een kracht kan zijn, maar alleen het onvermogen kan zijn van een massa om te veranderen, de afwezigheid van dat vermogen dus. Want als een constante beweging, een positieverandering, niets is kan ook de oorzaak er van niet zonder meer een kracht zijn, niet iets zijn want iets wordt nooit zonder meer niets. Ik denk daarom dat het zeer belangrijk is het fundamentele verschil in de zijnsstatus van die twee componenten van de versnelde beweging goed te onderscheiden. I.Newton zag dit fundamentele verschil tussen "er-zijn" als gevolg van "zijn" en "er-zijn" ten opzichte van een referentiekade kennelijk niet en dus ook niet het belang er van. Als gevolg hiervan zijn volgens mij de begrippen beweging, traagheid en versnelling vanuit zijn absolute ruimte en tijd onjuist geformuleerd en ik zal daarom trachten deze opnieuw te definiŽren vanuit de dialectische visie op onze realiteit van Hegel, de relationele visie van Leibnitz en met de aandacht die Heidegger vraagt voor het cruciale verschil tussen de begrippen "zijn" en "er-zijn".

De zijnsstatus van de beweging en de snelheid. Beweging en snelheid zijn alleen maar fenomenen, meer niet. Het is onjuist te zeggen dat ze afhankelijk "zijn", want het is duidelijk dat ze alleen maar afhankelijk  "er-zijn" en dat is dus een belangrijk verschil. Noch de beweging, noch de snelheid bestaan in de zin van "existeren", hun "er-zijn" spruit niet voort uit hun "zijn" want ze "zijn" niet en hebben geen sub-atomair substraat  Bewegen en snelheid ontwikkelen kan alleen maar ten opzichte van andere voorwerpen en gebeurtenissen, ten  opzichte van een referentiekader dus, een voorwerp in een verder lege ruimte kan niet bewegen en geen snelheid ontwikkelen, want een beweging is een positie-verandering ten opzichte van een referentiekader. De beweging zelf "is"  niets, is zuiver een positie-verandering en posities "zijn" zelf ook niet, die "zijn-er" zelf ook alleen maar. Bewegen is het continu doorlopen van zuiver relatieve posities, van verhoudingen die duidelijk niets "zijn". Die posities hebben geen fysieke inhoud, hebben geen eigenschappen, het zijn geen dingen net als de fysische objecten, ze komen uit het niets en verdwijnen ook weer in het niets. Ze "zijn-er" alleen maar, volledig afhankelijk ten opzichte van een referentiekader, er bestaan geen absolute plaatsen, alleen maar posities die alleen maar actueel worden door de aanwezigheid van de fysische objecten, maar die daardoor geen fysische inhoud krijgen. Ze "zijn" zelf niet, ze "existeren" niet, ze komen niet voort uit energie en hebben geen subatomair substraat.  De beweging is een verandering in posities die zelf niet "iets" zijn en een verandering in fenomenen die niets "zijn" kan daarom onmogelijk zelf wel "iets" zijn. De  beweging zelf heeft dan ook geen enkele invloed op de fysische inhoud van een object zoals G.Galilei al heeft vastgesteld en er kunnen onmogelijk hoeveelheden beweging of snelheid bestaan.  Het begrip "afstanden afleggen" is in feite even irreŽel als het begrip "absolute plaats", beiden bestaan niet echt. Beweging en snelheid  "zijn" niet zelf iets, net zo min als een verschil in grootte tussen twee voorwerpen iets "is". Ze  "zijn-er", alleen maar afhankelijk net als die verschillen in grootte ook niet afhankelijk "zijn" , maar alleen afhankelijk "er-zijn", volledig afhankelijk van de twee voorwerpen. 

De zijnsstatus van de beweging is al een twistpunt sinds de Middeleeuwen. In de Arabische cultuur (Dijksterhuis 1950, blz.192/4) verdedigde AverroŽs de opvatting dat de beweging niet iets is, alleen maar een stromende vorm (forma fluens) tegen de opvatting van Avicenna dat het wel iets was, de stroom van een vorm (fluxus formae). De discussie ging verder in Europa. Willem van Ockham (Lindberg, blz.286/7) stelde dat beweging een proces is en zeker geen ding is, zeker niet "iets" is, niet iets afzonderlijks is. Nicolas d' Autrecourt (Whitrow, blz.151) zag de beweging als een relatie, niet als een kwaliteit. Op basis van theologische argumenten stelde o.a. Jean Buridan hier tegenover dat de beweging wel iets zou zijn, iets als een onafhankelijke kwaliteit (Dijksterhuis, blz.193/4). Ook nadat de theologische argumentatie haar waarde verloren had bleef men toch de mening van Buridan accepteren. Ook I.Newton nam de visie van de tegenstanders van Ockham over en kwam vanuit zijn geloofsovertuiging tot beweging ten opzichte van een absolute ruimte. Hij sprak onbevangen van "hoeveelheden" beweging en het is 100% zeker dat die niet bestaan. G.W.Leibnitz (Karskens, blz.118/9) zegt "De beweging precies en formeel beschouwd dat wil zeggen als verandering van positie, is niet iets dat werkelijk bestaat". Als een voorwerp beweegt ten opzichte van een ander voorwerp is het niet mogelijk zegt hij, vast te stellen welk van de twee in rust is en welk beweegt. Ook Christiaan Huygens (Icke, blz.31) vindt dat de snelheid in alle opzichten relatief is, dat  beweging net als rust slechts betrekkelijk is. Hij blijft echter steken op de mening dat de snelheid relatief "is" en ziet niet dat dat moet zijn relatief "er-is", ziet niet dat "relatief zijn" een tegenspraak in zichzelf is. Stellen dat de beweging relatief "is", is zeer slordig. Een object dat "is", "is-er" eenvoudig omdat het ook "is", dat "er-zijn" heeft niets met een referentiekader te maken. "Relatief zijn" is een even dwaze term als "vierkante cirkel" en een tegenspraak in zichzelf, er bestaan geen vierkante cirkels en ook geen fenomenen die "relatief zijn". Een fenomeen "is-er" omdat het iets "is" of omdat het relatief "er-is", maar er zijn geen fenomenen die relatief "zijn".  Op internet, "Kennislink.nl", staat een artikel uit het blad "Natuur en Techniek"  van 30-03-98 van dr.ir. Henk Tennekes over de wetten van I.Newton, beweging, snelheid en traagheid waar mijn artikel goed op aansluit. Er zal wel meer te vinden zijn over dit onderwerp, maar het belangrijkste is natuurlijk dat men gewoon door het gebruik van de eigen zintuigen en het eigen verstand zelf vast kan stellen dat de beweging alleen maar "er-is" en duidelijk niet iets "is", geen sub-atomair-substraat heeft. Bewegen gebeurt eenvoudig alleen en uitsluitend ten opzichte van andere objecten en gebeurtenissen en in een verder lege ruimte kan een object zich onmogelijk verplaatsen of snelheid ontwikkelen, bewegen is gewoon een proces zoals Ockham al zei ten opzichte van andere objecten en gebeurtenissen. En een proces is geen ding en veranderingen "zijn" niet, iets wat de Griek Parmenides al gezegd heeft.

De zijnsstatus van de Starheid. Een helder inzicht in de zijnsstatus van de beweging en de snelheid, dat ze dus zonder twijfel niet "zijn", geen subatomair substraat hebben en dus ook niet "iets" zijn, is zeer belangrijk. Die zijnsstatus heeft  belangrijke consequenties.  Kracht, energie, "is" iets net als materie en kracht, energie, blijft zoals bekend altijd behouden en kan niet alleen maar niets worden. Dus als beweging en snelheid, zuiver positieverandering, alleen maar "er-zijn" en niet "existeren", kunnen zij onmogelijk rechtstreeks als enig gevolg voortkomen uit iets als kracht dat wel "existeert" want iets (kracht) wordt dus nooit zo maar niets (positieverandering). De aanname dat positieveranderingen het rechtstreeks gevolg zouden zijn van kracht kan dus niet goed zijn. Voor veranderingen in fysische objecten, van b.v. ijs in water, is warmte, is energie, nodig, maar voor veranderingen in niet-fysische fenomenen als posities kan onmogelijk energie nodig zijn want ze zijn dus niets.Dat dat werkelijk niet nodig is blijkt wel uit het feit dat ook ieder object dat in rust is permanent verandert van positie door de bewegingen van andere objecten. Daarom is het; logisch acceptabel dat er voor de verandering van een positie niet rechtstreeks kracht nodig is. De aanname dat een impuls rechtstreeks een positieverandering zou veroorzaken moet dan ook onjuist zijn. Een impuls bepaalt uiteraard de snelheid en de richting van een beweging, daarover kan geen twijfel bestaan, maar een voorwerp blijft doorgaan met de beweging als het los is van de impuls en er geen kracht meer op uitgeoefend wordt. De, heel oude, vraag waarom een voorwerp ook zonder rechtstreekse impuls zijn weg blijft vervolgen moet dus nog beantwoord worden. 

Het is hierbij duidelijk dat de impuls aan een voorwerp slechts dat geeft wat men in de natuurkunde bewegingsenergie noemt, maar dat de beweging zelf moet gezien worden in het kader van de traagheidswet die stelt dat ieder lichaam in rust of in constante rechtlijnige beweging blijft zo lang er geen krachten op inwerken. Dat impliceert dat de impuls alleen de snelheid en de richting van de beweging bepaalt maar dat de beweging zelf in wezen traagheid is. Een kogel krijgt energie in het geweer maar eenmaal uit de loop vliegt hij verder als consequentie van de traagheidswet, zonder impuls. Het bewegen van de kogel heeft als harde basis, traagheid, volharden in constante, rechtlijnige, voortzetting. Die constante, rechtlijnige beweging, die verstoort zal worden door luchtweerstand etc. is in feite niet meer dan een gedachtenconstructie van natuurkundigen maar moet niettemin gezien worden als de basis van de vrije beweging van een voorwerp. De snelheid en de richting van een bewegende kogel of bal worden bepaald door de impuls, door kracht, maar de positieverandering zelf is altijd een consequentie van de traagheidswet. De basis van beweging en snelheid is zonder twijfel wat men traagheid noemt en de vraag hierbij is natuurlijk wat de zijnsstatus van de traagheid is, "is" traagheid iets of is traagheid niets ?

Uit het niet "zijn" van de beweging, iets dat men dus meer dan 300 jaar geleden al inzag,volgt volgens mij dat die traagheid, ik denk dat starheid een betere naam is, beslist geen kracht kan zijn en dat die starheid net als de constante beweging een niet zijnde moet zijn. Naast het alleen maar "er-zijn" van de constante beweging kan ook die starheid niet "zijn" maar alleen maar "er-zijn". Ook de starheid kan niet "zijn", en "is-er" ook alleen maar en is een niet-zijnde, net zoals de bewegingen en de posities. Starheid kan ook alleen maar actueel worden, starheid is nooit de oorzaak van een beweging, maar een door kracht veroorzaakte invloed maakt de starheid actueel, roept die op. Starheid kan inderdaad alleen maar weerstand bieden, passief "er-zijn", geen invloed uitoefenen, niet actief zijn. Starheid beÔnvloedt niets, leidt niet tot veranderingen, kan niet de oorzaak zijn van iets en is ook nooit de oorzaak van iets, want starheid is niets. Krachten oefenen invloed uit, starheid oefent nooit invloed uit, starheid wordt alleen maar actueel, " is-er" alleen maar.Krachten doen iets, starheid doet niets, kan niets "doen" omdat het niets "is" net als een positie of een verschil. Starheid kan niet "zijn" en "is" ook niet. Starheid is niet de neiging om rechtlijnig voort te gaan maar het onvermogen om te veranderen. Het is de afwezigheid van iets, de afwezigheid van kracht om te veranderen, maar starheid zelf is niet kracht. Als het niet lukt om een zware auto vooruit te  duwen komt dat door de starheid die men oproept. 

De aanname dat het een gewone kracht is, is kennelijk verkeerd. Bij Hall (blz.56/7) lees ik dat zowel I.Newton als zijn commentatoren altijd grote moeite hebben gehad met de notatie in de 3e definitie van een "force of inactivity", een kracht die niet dynamisch is, een tegenspraak in zichzelf. Dijksterhuis (Val en Worp,blz.442) stelde terecht dat I.Newton's 3e definitie die zegt: "in de materie zetelt een kracht die in staat is weerstand te bieden waardoor ieder lichaam volhardt in zijn toestand van rust of rechtlijnige beweging" in feite geen definitie is maar een postulaat, iets dat aangenomen wordt zonder bewijs dus. Maar als ik Newton's  wetten bekijk vanuit de filosofische dialectiek in plaats vanuit de opvatting dat er absolute ruimte zou bestaan moet ik vaststellen dat de 1e en 3e wet van hem onvolledig zijn. Zijn eerste wet dat van een voorwerp waarop geen kracht werkt de snelheid niet verandert is juist. Maar hieruit volgt dat constante snelheid dus niet het gevolg is van kracht. Dat is ook zo want de oorzaak van constante snelheid, starheid, is geen kracht. I.Newton had de zijnsstatus van de starheid aan moeten geven, maar hij was zich zoals velen daarna, onvoldoende bewust van het fundamentele verschil tussen "zijn" en "er-zijn" en uiteraard ook niet van Hegel's dialectiek. Zijn derde wet die stelt dat iedere kracht een tegenkracht oproept is daarom ook niet juist geformuleerd, er wordt geen tegenkracht opgeroepen, de starheid wordt actueel en starheid is dus geen kracht. I.Newton's "inertial forces" zijn helemaal geen krachten. De bewering dat de moleculen van b.v. een zware auto die men tevergeefs probeert voort te duwen terug zouden duwen is dwaas, het is gewoon starheid, de starre massa van de auto die dat niet mogelijk maakt.

I.Newton en zijn aanhangers zien de consequenties van de zijnsstatus van de starheid en de  beweging niet, maar die moet men wel zien want daarvoor is het verschil in zijnsstatus te fundamenteel. Het is duidelijk dat voor fenomenen die niet werkelijk "zijn" niet gewoon de begrippen oorzaak en gevolg kunnen gelden zoals bij fenomenen die wel "zijn". De fenomenen waar het om gaat, starheid en beweging dus, zijn niet meer dan verschijningsvormen van het absolute Niets, net als de leegte en de eeuwigheid. Die verschijningsvormen "zijn" niet, zijn niet meer dan verschijningen en kunnen daarom geen invloed op elkaar uitoefenen. De verschijningsvormen van het absolute Niets kennen uiteraard geen onderlinge verbanden en verschijnen allemaal volkomen los van elkaar zonder oorzakelijke verbanden. Men kan dan ook niet stellen dat een beweging wordt "veroorzaakt" want de beweging "is" niets en niets kan natuurlijk niet veroorzaakt worden. En ook uit de starheid die niets "is"  kan niets "voortkomen"'. Er kan alleen maar een fenomeen verschijnen dat er mee in overeenstemming is. Dat is dus de constante, rechtlijnige, beweging die ook niets "is" en gewoonlijk verstoord wordt. Er komt niet een "activiteit""  van een voorwerp uit voort, maar alleen maar het eenvoudig volharden in een situatie, de onmacht om te veranderen die dus niets is en ook geen oorzaak hoeft te hebben. Dit verschil van de zijnsstatus van starheid en beweging heeft voor zo ver mij bekend nog nooit een rol gespeeld in de discussie over de aard van ruimte en tijd maar het is te duidelijk en te belangrijk om genegeerd te kunnen worden. De acceptatie van de werkelijke zijnsstatus van de starheid en de beweging is moeilijk voor natuurkundigen die met het begrip "niet-zijn" geen raad weten en de aanname dat wij in een proces tussen "zijn" en "niet-zijn" leven dan nog moeilijk kunnen weerleggen, maar dat starheid en beweging niet "zijn" is volgens mij overduidelijk.

De Zijnsstatus van de Versnelling. Van een continu versneld voorwerp wordt continu de starheid, de constante rechtlijnige beweging, verstoord, het voorwerp heeft continu de "neiging" om recht door te gaan, een "neiging" die in de versnelde beweging continu door een  impuls veranderd wordt. Die impuls veroorzaakt dus alleen maar een verandering in de snelheid en de richting, maar verandert niet rechtstreeks de positie, de positieverandering is altijd een consequentie van de starheid, de onmacht van een voorwerp om uit zichzelf  van beweging te veranderen, de onmacht om niet in een rechtlijnige beweging te volharden. Die "neiging"  is geen neiging maar is de consequentie van de starheid die niet "is" maar zich onmiddellijk manifesteert in de constante rechtlijnige beweging zodra de impuls ophoudt, zodra er niet meer rechtstreeks kracht wordt uitgeoefend op het voorwerp. Starheid, volharden in een rechtlijnige beweging, is de basis van de beweging van een vrij bewegend voorwerp, niet de impuls. De starheid "is-er" alleen maar als onmacht om te veranderen, doet niets, is niet iets dat actief wordt, maar wordt alleen maar actueel in de vrije beweging van een voorwerp. 

De versnelling zelf is een continue reeks impulsen die dus de snelheid en de richting van een beweging veranderen, maar is niet zelf beweging of snelheid. De versnelling zelf, die verandering in de beweging zelf  is niet relatief en afhankelijk ten opzichte van objecten en gebeurtenissen zoals de beweging zelf, de versnelling "is-er" niet relatief zoals de beweging, het kent daarom helemaal geen referentiekader en heeft ook geen referentiekader nodig. Versnelling wordt altijd veroorzaakt door iets dat een subatomair substraat heeft, het is een direct manifestatie van energie en het is evenredig met die energie. Versnelling is het gevolg van energie, energie die alleen maar "is", niet zelf  "er-is", maar "er-is", zich manifesteert dus, in de veranderingen in de snelheid en de richting. De versnelling is evenredig aan de toegevoegde kracht, aan de formule van I.Newton dat F=ma. Precies zoals een steen, zoals materie, "er-is" omdat die ook "is", zo geldt ook dat de versnelling "er-is" omdat die ook "is", net als materie een vorm van energie is.

Het "er-zijn" van de versnelling is dus het gevolg van het "zijn" van de impuls die het veroorzaakt en het "er-zijn" van de positieveranderingen is afhankelijk van een referentiekader. De versnelde beweging bestaat uit twee gebeurtenissen met fundamenteel verschillende zijnsstatussen, de verandering van de positie in overeenstemming met starheid die niets "is"  en de verandering in de beweging als gevolg van kracht die "is". Positieveranderingen worden alleen actueel, "zijn-er" alleen maar ten opzichte van een referentiekader, de impuls "is" wel en "is-er" als gevolg daarvan en de versnelde bewegingen hebben daarom geen bijzonder referentiekader nodig voor hun "er-zijn". Een versnelde beweging is ook een fenomeen dat alleen maar "er-is" ten opzichte van een gewoon referentiekader en de aanname van een onafhankelijke ruimte/tijdstructuur is niet nodig.

De problemen die men vanuit de substantiŽle visie constateert zijn volgens mij geen echte problemen. Een reiziger in een raket in een verder lege ruimte, zonder referentiekader dus,  kan wel degelijk, door de werking van een raketmotor, een verandering van krachten die op de raket werken ervaren, een "versnelling" ervaren, zonder dat de raket dus werkelijk beweegt. De schok die een reiziger in een vertrekkende trein ervaart kan onmogelijk het gevolg zijn van de beweging zelf, van de positie-verandering dus, daar alle mensen die niet in de trein zitten die schok niet ervaren maar wel degelijk dezelfde versnellende beweging maken ten opzichte van de vertrekkende trein. Het voelen van die schok is kennelijk niet het gevolg van de positie-verandering maar van de verstoring van het evenwicht van krachten waarin de trein zich bevond. Ik denk dat men zich beter moet realiseren dat de positie van een stilstaande trein niet het resultaat is van de afwezigheid van krachten die op de trein inwerken, maar het resultaat is van het evenwicht van krachten die op de trein werken en zijn positie bepalen. De positie van de trein, en van ongeacht welk voorwerp, is altijd het product van starheid en een krachtenveld. De krachten die op elkaar inwerken "zijn" daadwerkelijk iets, de posities die daarvan het gevolg zijn "zijn" niet. Men moet er zich goed van bewust zijn dat zowel de positie als de vaart van ieder object het resultaat is van starheid en de krachten die inwerken. Het krachtenveld dat de constante beweging en de positie bepaald "is", de constante beweging en de positie zijn zuiver afhankelijk, "zijn-er" alleen maar. Alles wat "is" bevindt zich in allerlei krachtenvelden en die bepalen de posities zoals b.v. die van de aarde. Ook de positie van iemand die ligt te slapen veranderd voortdurend. Die posities "zijn-er" niet zo maar, die zijn het resultaat van starheid en allerlei vormen van kracht die op elkaar inwerken zoals zwaartekracht, magnetische krachten etc.. Ook wij kunnen geen enkele beweging maken zonder kracht te gebruiken, posities zijn het resultaat van starheid en het evenwicht of de verschillen tussen de krachten die op een object inwerken. 

I.Newton vermoedde al dat het water in de emmer niet door een fysische kracht in tegengestelde richting van het middelpunt van de draaiende beweging wordt gestuurd. Dat is inderdaad geen fysische kracht, helemaal geen kracht, maar de starheid van het water, het onvermogen om te veranderen van beweging dat echter continu geblokkeerd wordt door de kracht uit het gedraaide touw die de emmer doet draaien. Op het water werkt inderdaad maar ťťn kracht en het krijgt daardoor de "neiging" vanaf de raaklijn aan de cirkel recht door te gaan en zich te verwijderen van het middelpunt van de cirkel. Maar die starheid wordt continu instantaan geblokkeerd door de kracht uit het gedraaide touw en er werkt maar ťťn kracht, niet twee. Er bestaat hierbij geen middelpuntvliedende kracht in de zin van "existeren" zoals een fysische kracht, de starheid wordt wel actueel, "is-er" wel, maar "is" niet zoals een fysische kracht. In een van richting veranderende auto worden wij tegen de wand gedrukt, niet door een kracht maar de geblokkeerde starheid van ons lichaam. De concave stand van het water in de emmer van I.Newton's experiment is niet het gevolg van een bijzondere kracht en heeft dus voor de verklaring er van ook geen bijzonder referentiekader nodig maar niet meer referentiekader dan het laboratorium waarin de proef plaats vind, niet meer referentiekader dan een constante beweging.

De verdedigers van de substantiŽle visie op ruimte en tijd houden geen rekening met het cruciale filosofische begrip "zijnsstatus'. Maar er kan geen twijfel over bestaan  dat onze realiteit wordt gevormd door fenomenen die "zijn" en door fenomenen die niet "zijn". Door fenomenen die voortkomen uit "zijn"wat dat dan ook mag zijn en door fenomenen die voortkomen uit het absolute Niets, het meest fundamentele verschil dat er is. Er is een overvloed aan fenomenen die geen subatomair substraat kennen en het al of niet hebben van een subatomair substraat is uiteraard cruciaal. En dat  zijn beslist niet alleen de verschillen in grootte, posities, bewegingen en snelheid. Als dat voor bewegingen en snelheden geldt, geldt dat "alleen maar fenomeen zijn" natuurlijk ook voor afstanden en periodes. En ook zij "zijn-er" duidelijk alleen maar afhankelijk ten opzichte van de objecten en de gebeurtenissen. Volgens mij kan er geen twijfel over bestaan dat Leibnitz gelijk had. Afstanden en periodes "zijn-er" ook alleen maar, ze "zijn" niet afhankelijk, ze "zijn-er" alleen maar afhankelijk en het is zeer belangrijk dit verschil heel goed in te zien. Ze worden uit het niets opgeroepen door de objecten en de gebeurtenissen en verdwijnen ook weer in het niets en ze "zijn" zelf niets, ze hebben geen enkele eigenschap. Zowel afstanden en periodes als verschillen in grootte kennen geen subatomair substraat, ook ruimte en tijd "zijn" duidelijk niet. Onze realiteit wordt duidelijk gevormd door fenomenen die "zijn", die "existeren", en door fenomenen die niet "zijn", die niet "existeren", daarover kan geen twijfel bestaan. Er is meer dat daar op wijst maar ik beperk mij hier liever tot ruimte en tijd. Ik wil er nog wel aan toevoegen dat de Grieken Democritus en Leucippus er al op gewezen hebben dat ook "niet-zijn" realiteit verleend moet worden en dat de Griek Zeno al het nooit weerlegde bewijs geleverd heeft dat ruimte en tijd ondeelbaar zijn wat er op wijst dat ze inderdaad niets zijn.

Een belangrijk argument voor het bestaan van een onafhankelijke ruimte/tijd structuur is dat de filosofie geen theorie zou hebben die de relationele visie verklaart. Maar dat argument vervalt als wij de natuurkunde baseren op Hegel's opvatting dat we leven in een proces tussen "zijn" en "niet-zijn", als men werkt vanuit de opvatting dat ook "niet-zijn" tot onze realiteit behoort en in wil zien dat met de beweging en de snelheid ook starheid alleen maar "er-is" en niet "is". De filosofische dialectiek levert wel degelijk een wetenschappelijk verantwoorde verklaring van I.Newton's probleem en van het relationisme van Leibnitz. Vanuit de visies van Hegel en Leibnitz kan Newton's belangrijkste argument voor zijn substantiŽle visie wel degelijk weerlegd worden. Wij leven in een proces tussen "zijn" en "niet-zijn", daarover kan geen twijfel bestaan, onze realiteit wordt duidelijk gevormd door fenomenen die "zijn", die "existeren" en door fenomenen die "niet-zijn", niet "existeren".

Ik vraag zoals al eerder gezegd in deze tekst niet om de acceptatie van mijn visie op de aard van "zijn", maar ik vind wel dat men moeilijk kan ontkennen dat wij in een proces leven tussen "zijn" en "niet-zijn". En men kan ieder geval niet meer ontkennen dat het vanuit de relationele visie wel degelijk mogelijk is Newton's "bewijs" voor de substantiŽle visie te weerleggen. Ik vraag zeker wel om erkenning dat de versnelde beweging niet iets is dat onvermijdelijk een bijzonder referentiekader nodig zou hebben. Men kan niet ontkennen dat de versnelde beweging uit twee fundamenteel verschillende componenten bestaat waarvan er een, de verandering van de positie, alleen maar "er-is", actueel wordt, ten opzichte van een referentiekader en niet iets "is" en de andere, de verandering van de beweging, "er-is", actueel wordt, omdat die ook "is" omdat energie iets is. Dit is een verschil zo fundamenteel dat men het niet kan negeren. Maar nergens in de  eindeloze discussie over dit probleem wordt gesproken over dit fundamentele verschil in de zijnsstatus van de beweging zelf en de zijnsstatus van de veranderingen in de beweging en dat is voor een goed begrip van dit probleem toch cruciaal. Zowel I.Newton, E.Mach etc. zien dit verschil niet of negeren het. Maar hun mening dat de versnelde beweging een bijzonder absoluut referentiekader zou moeten hebben is duidelijk irreŽel.

Ik geloof te mogen stellen dat mijn uitgangspunt, het niet "zijn", niet "existeren", van de beweging en de snelheid een duidelijk ware en harde basis is voor wat ik stel. Dat is geen aanvechtbaar postulaat, maar een concrete waarneming. Mijn hierop gebaseerde pleidooi voor de relationele visie op ruimte en tijd en de correctie op de wetten van I.Newton is natuurlijk in veel meer opzichten belangrijk maar ik wil mij in deze tekst beperken tot de consequenties die het heeft voor de argumentatie voor het bestaan van een onafhankelijke ruimte/tijd-structuur. Ik wijs er nogmaals op dat wat ik stel berust op inzichten die al verdedigd zijn door veel bekende filosofen, in historische volgorde o.a. AverroŽs, Ockham, Huygens, Leibnitz, Hegel en Heidegger terwijl de basis hiervoor al te vinden is bij de Grieken Parmenides, Heraclitus, Democritus, Leucippos, Zeno etc.

 

Literatuur:

Dijksterhuis E.     De Mechanisering v/h Wereldbeeld             Meulenhoff, Amsterdam 1950.

Dijksterhuis E.     Val en Worp                                                  Noordhoff, Groningen 1924.

Hall A.R.              Isaac Newton                                               Blackwell, Oxford 1992.

Icke V.                 Christiaan Huygens                                      Historische Uitgeverij 2005.

Karskens M.         Leibnitz, Metafysische Verhandeling          Wereldvenster, Bussum 1981.

Lindberg D.          Pioniers v/d Westerse Wetenschap             Boom, Meppel 1995.

Sklar L.                Space, Time and Spacetime                          University of California Press.

Whitrow G.          Het Tijdsbegrip in de moderne                     Spectrum, Utrecht 1965.

                             Wetenschap

 

Home