Over de Realiteit van Niet-zijn

en de Aard van de Beweging en de snelheid.

 

I.Newton nam aan dat ruimte en tijd absoluut zijn en sprak van "hoeveelheden beweging" en A.Einstein stelde dat de relativiteitstheorieŽn gebaseerd zijn op de "consistente fysische interpretatie van de concepten ruimte, tijd en beweging" (Einstein A. De Relativiteitstheorie 1949). Dit zijn volgens mij postulaten die vanuit de filosofische dialectiek, die nog steeds wetenschappelijk volkomen acceptabel en goed verdedigbaar is, onaanvaardbaar zijn. Zij zijn de basis van de als gevolg daarvan zeer aanvechtbare kwantificering en mathematisering van ruimte en tijd die momenteel in de natuurkunde wordt gebruikt. Ik denk, met o.a. Heraclitus, Hegel etc., dat we leven in een proces tussen "Zijn" en "niet-zijn" en dat ruimte en tijd aspecten zonder fysische inhoud zijn van "niet-zijn" die door "Zijn" opgeroepen worden. Ik denk dus dat er helemaal geen hoeveelheden ruimte en tijd bestaan.

Ik denk ook dat ook de beweging geen fysische inhoud heeft en dat er geen hoeveelheden beweging bestaan en dus ook geen hoeveelheden snelheid. Bewegingen en snelheden zijn fenomenen die uitsluitend relatief waargenomen worden en duidelijk niet werkelijk bestaan. Dit standpunt is beslist niet nieuw en alleen iets van mij. het is in de loop der eeuwen al verdedigd door bekende filosofen als o.a. AverroÍs, Ockham en Leibnitz, maar men is zich momenteel onvoldoende bewust van de consequenties hiervan. Snelheid is dus een fenomeen dat niet onafhankelijk bestaat en per definitie ook geen getalwaarde heeft. Daarom mag ik stellen dat het begrip "kwadraat van een snelheid" dat veel gebruikt wordt in de natuurkunde niet meer is dan een onbegrip en dat het gebruik hiervan zeer aanvechtbaar is.

Belangrijk is dat ook moderne natuurkundigen dit in feite min of meer inzien. De bekende Nederlandse natuurkundige Vincent Icke wijst er in zijn recente boek "Christiaan Huygens" op dat ook Huygens al inzag dat de beweging een fenomeen is dat niet werkelijk bestaat. Hij wijst er op (Icke, blz.26 en verder) dat Huygens al in de 17e eeuw een relativiteitstheorie ontwikkelde op basis van het inzicht dat snelheid alleen relatief waargenomen kan worden. Ik begrijp niet dat hij, en naar ik aan mag nemen met hem veel natuurkundigen, hierbij niet inziet dat uit het niet bestaan van de beweging moet volgen dat ook ruimte en tijd niet bestaan, dat afstanden en periodes niet-zijnden moeten zijn en dat uit het relatieve karakter van de snelheid onvermijdelijk moet volgen dat het kwadraat van een snelheid een onhoudbaar begrip is. Ik zal trachten aan te tonen waarom dit zo is.

Het gaat om de zijnsstatus van ruimte, tijd en beweging en die dient vastgesteld te worden door filosofen en niet door natuurkundigen voor wie meetbaarheid een "must" is. Ik denk dat die zijnsstatus verklaard zal moeten worden vanuit de filosofische dialectiek van Hegel. Hij stelde dat het "Worden", alles wat "er-is" voortkomt uit de tegenstelling Zijn (de absolute Geest)  en niet-zijn. Velen verwerpen de aanname van een absolute Geest omdat voor Zijn (of Haar) bestaan geen wetenschappelijk bewijs zou zijn. Ik denk met Hegel dat wij inderdaad geleid worden door een hogere Wil, maar daar ga ik in deze tekst niet dieper op in, ik verdedig hier wel dat het filosofisch dialectisch uitgangspunt in ieder geval wel een wetenschappelijk verantwoord uitgangspunt is voor de verklaring van onze fysische realiteit. Volkomen wetenschappelijk verantwoord, omdat het in ieder geval voor iedereen duidelijk moet zijn dat we leven in een proces tussen "Zijn"en "niet-zijn".

Wetenschappelijk verantwoord, omdat in ieder geval wel de realiteit van "niet-zijn" zeer goed verantwoord te verdedigen is en ook te verdedigen is dat ruimte, tijd en beweging daartoe behoren. Als wij die realiteit zonder vooroordelen bekijken, ongehinderd door postulaten maar met gebruik van onze zintuigen en ons gezonde verstand, is het snel duidelijk dat er in onze realiteit veel fenomenen "er-zijn" die niet "Zijn", fenomenen als afstanden, verschillen, relaties, de duisternis, de entropie etc. die weliswaar niet actief maar wel passief heel veel invloed uitoefenen op de loop der gebeurtenissen en op onze zoektocht naar de verklaring van alles niet genegeerd mogen worden. Natuurkundigen menen vaak de vele fenomenen die hierop wijzen te mogen negeren als zijnde te verwaarlozen derivaten maar ze zullen moeten begrijpen dat ze de tegenstelling Zijn/niet-zijn, de duidelijke verschillen in zijnsstatus tussen onafhankelijke en afhankelijke fenomenen, niet uit de weg kunnen gaan.

Het is duidelijk dat we de ware aard van "er-zijn" moeten doorzien en de realiteit van "niet-zijn" zullen moeten erkennen als wij onze realiteit willen begrijpen. De Grieken Democritus en Leucippus hebben al 2500 jaar geleden gevraagd om de acceptatie van de realiteit van "niet-zijn". Zij en de Griekse filosofen uit Elea maakten echter de fout onvoldoende verschil te maken tussen "Zijn" en "er-zijn". Maar het is duidelijk dat er een fundamenteel verschil is in "Zijn" tussen objecten die uit iets anders voortkomen, werkzaam zijn, eigenschappen hebben en weer in iets anders overgaan enerzijds en anderzijds fenomenen zoals afstanden, periodes, verschillen etc. die uit het niets komen, niet werkzaam zijn, geen eigenschappen hebben en weer in het niets verdwijnen of fenomenen zoals o.a. de duisternis en de entropie die alleen maar de afwezigheid zijn van iets. Onze realiteit, "er-zijn", is duidelijk zowel "Zijn" in "niet-zijn" als "niet-zijn" in "Zijn".

Het is duidelijk dat als het "Worden" ook uit het "niet-zijn" voortkomt, in alles wat geworden is, in onze realiteit, fenomenen voor moeten komen die "niet-zijn". Fenomenen dus die alleen opgeroepen worden door "Zijn" maar die door dat oproepen alleen maar actueel worden, "er-zijn" dus, maar niet "Zijn" en het is erg belangrijk om dit goed in te zien. M.Heidegger heeft er al nadrukkelijk op gewezen dat er een groot verschil is tussen "Zijn" en "er-zijn". En onze realiteit, alles wat "er-is", wordt inderdaad gevormd door fenomenen die zowel "er-zijn" als "Zijn", maar ook door fenomenen die alleen "er-zijn" maar niet "Zijn", alleen actueel "zijn" dus, door fenomenen die alleen maar afhankelijk zijn, niet werkelijk "Zijn", of ook fenomenen die alleen maar de ervaring van de afwezigheid van iets zijn.

Voor de afhankelijke fenomenen gebruikt men makkelijk de bedrieglijke term "relatief zijn". Maar relatief voorkomen wil zeggen zelf geen eigenschappen hebben, niet werkzaam zijn, zuiver afhankelijk "er-zijn" van "Zijn" van objecten, terwijl "Zijn" wil zeggen zelf eigenschappen hebben en werkzaam zijn. De begrippen "relatief" en "Zijn" staan dus even  haaks op elkaar als de begrippen "vierkant"en "rond", het een sluit het ander uit. Het begrip "relatief zijn" is dus in dezelfde mate een onbegrip als het begrip "vierkante cirkel" en van fenomenen als afstanden en periodes is niet hun "Zijn" relatief, maar is hun "er-zijn" relatief, hun aanwezig zijn is relatief dus. En dat is een belangrijk verschil. Wij zullen nooit tot een goede verklaring van onze realiteit kunnen komen als wij dit verschil blijven negeren.

 

 

Afstanden en periodes komen uit het niets, hebben geen enkele eigenschap, zijn niet werkzaam en verdwijnen weer in het niets. Het zijn slechts fenomenen die met het ontstaan van de objecten en het voorkomen van de gebeurtenissen uit het niets voortkomen, alleen mar actueel worden en met de teloorgang van de objecten en het voorbijgaan der gebeurtenissen weer in het niets verdwijnen. Hun lengte is geen eigenschap, alleen maar een vergelijking met een willekeurige standaard-afstand. Duidelijk is dat ze niet relatief "Zijn" maar alleen relatief "er-zijn". Zij bestaan alleen in de zin van "er-zijn", ze "Zijn" niet. Ze hebben slechts passief invloed op de gebeurtenissen door hun "er-zijn", ze doen niets. Als er geen objecten en gebeurtenissen waren zouden er ook geen afstanden en periodes zijn.

Wat wij de fysische ruimte noemen, de leegte, is niet meer dan een door objecten die "Zijn" opgeroepen aspect van absoluut niets, wat wij de fysische tijd noemen, de eeuwigheid, is niet meer dan een door de gebeurtenissen opgeroepen ander aspect van absoluut niets. Er zijn geen sub-atomaire fenomenen die de ruimte en de tijd voortbrengen, wij leiden ze af uit de afstanden en de periodes. De ruimte is niet meer dan de verhoudingen tussen de objecten, strekt zich niet uit en is onveranderlijk. De fysische tijd is niet meer dan de opeenvolging van de gebeurtenissen, het verstrijkt ook niet en er is nu nog evenveel tijd als 1000 jaar geleden. Ruimte en tijd "Zijn"op geen enkele manier, niet werkelijk en niet actueel en zij doen niets.

Afstanden zijn geen delen van de ruimte maar verschijningsvormen van de abstracte, ondeelbare, leegte, periodes zijn geen delen van de tijd maar zijn verschijningsvormen van de eveneens volkomen abstracte, ondeelbare, eeuwigheid. We leiden de leegte en de eeuwigheid af uit de afstanden en de periodes die alleen maar relatief "er-zijn" en worden opgeroepen door respectievelijk de materie en de ontwikkelingen. De leegte en de eeuwigheid zijn aspecten van absoluut niets zonder eigenschappen, zonder begin, zonder einde, die alleen maar actueel worden in de afstanden en de periodes. Ze zijn niet absoluut en zijn niet relatief, ze "Zijn" helemaal niet. De ruimte heeft geen eigenschappen zoals dimensies, continuÔteit of discontinuÔteit, is niet homogeen of isotroop, de tijd heeft geen richting. Die aannames zijn even onjuist als het toekennen van aangename eigenschappen aan de schaduw als de zon fel schijnt. De schaduw is niet meer dan de afwezigheid van licht en heeft geen enkele eigenschap en de ruimte en de tijd hebben die ook niet. Die eigenschappen bestaan alleen in onze geest. Ook de eigenschappen van de ruimte/tijd van H.Minskowski zijn producten van H.Minskowski's eigen fantasie.

A.Einstein's fysische ruimte en tijd die kunnen krimpen en krommen zijn voor iedere niet-natuurkundige bizar en ze zijn ook wetenschappelijk zeer aanvechtbaar. Tegenover de bevestiging door de correcte berekening van de ombuiging van een lichtstraal, de baan van de planeet Mercurius en de vervaltijd van een atomair deeltje staat ook veel tegenspraak. In ons Melkwegstelsel is van de voorspelde kromming van de ruimte niets te bespeuren, de voorspelde zwaartekrachtgolven zijn nog nooit waargenomen, de uit zijn theorieŽn voortvloeiende Big Bang voert tot een zeer problematisch punt van oneindige dichtheid en de mogelijkheid dat iemand zijn ouders via een reis in de tijd kan vermoorden nog voor zijn conceptie heeft plaats gevonden hoort in een horrorverhaal thuis. Als gevolg van zijn opvatting over ruimte en tijd staan de relativiteitstheorieŽn en de zeer hoog aangeschreven quantenmechanica haaks op elkaar waardoor de vurig verlangde "Theorie van Alles" niet bereikbaar blijkt.

Hij zegt nergens wat er volgens hem kan krimpen of krommen, wŗt er dus beweegt. Zijn ether of fysische ruimte is nooit meer geweest dan de behoefte aan iets dat het overbrengen van zwaartekracht en lichtgolven kan verklaren, die is nooit meer geweest dan een benodigde hypothese, waargenomen is de ether nooit. Zijn aanname dat het anders onmogelijk is werking op afstand aan te nemen is zijn grootste motief om ether of fysische ruimte aan te nemen. Na veel meningsverschillen kwam hij in zijn artikel "The Inadequacy of Classical Models of Aether" van 1922 (zie Capek, blz.329/37) tot de conclusie dat "The aether of the general theory of relativity is a medium which is itself free of all mechanical and kinematic properties, but helps to determine mechanical (and electro-magnetic) happenings". En verder dat "the state of this aether at every point is determined by the laws of its relationship with matter and with the state of the aether at neighboring points expressed in the form of differential equations". Hj zegt dus wat de functie is van ether en waar het door bepaald wordt, maar niet wat het is. Over de ether en de fysische ruimte is eindeloos gedebatteerd en wordt in feite nog steeds gedebatteerd, zekerheid hierover hebben de natuurkundigen ook nu nog steeds niet.

A. Einstein's teksten gaan in feite alleen over de noodzakelijkheid van het bestaan van die ether, over veronderstellingen over eigenschappen die die ether zou moeten hebben om b.v. lichtgolven door te kunnen laten. Er moet iets zijn dat lichtgolven etc. transporteert en hij bepreekt daarom de consequenties van eventuele hardheid, elasticiteit, korreligheid etc. Maar verder blijft het alleen maar een uiterst ijl fenomeen waarvan geen enkele fysische eigenschap daadwerkelijk gegeven wordt. Van enig bewijs dat die werkelijk bestaat is geen sprake, alleen van de noodzakelijkheid van het bestaan maar dat is iets anders. Zij belangrijkste argument voor die ether is dat die moet bestaan omdat dat volgt uit zijn algemene relativiteitstheorie zegt hij in zijn artikel (Capek, blz.337) van 1922. Maar in zijn artikel van 1949 stelt hij, zoals al gezegd, dat die theorie gebaseerd is op de fysische interpretatie van de concepten ruimte, tijd en beweging, dat dat dus het postulaat is waarvan hij is uitgegaan. Bewijzen echter dat God bestaat op basis van een postulaat dat die bestaat worden niet geaccepteerd en dat geldt ook voor het bestaan van ether of fysische ruimte.

Er is geen sprake van enig bewijs dat de ruimte fysisch zou zijn en dat kan ook niet. Zoals P.Gassendi (Weber blz.117) al duidelijk stelde, iets dat fysisch is moet zich in een ruimte bevinden. Als ether iets is moet het zich in een ruimte bevinden, de ruimte kan onmogelijk zelf fysisch zijn. Uit het feit dat iets in de ruimte is volgt alleen dat ruimte bestaat in de zin van afleidbaar zijn uit actuele fenomenen, maar niet van iets "Zijn". De leegte is gewoon de leegte, de ruimte, niet meer dan een constructie van onze geest die we afleiden uit het relatieve "er-zijn" van de afstanden die wij zintuiglijk waarnemen. Er is een overvloed aan bekende filosofen die net als ik van mening zijn dat er zonder objecten geen ruimte zou zijn en zonder gebeurtenissen geen tijd, dat ruimte en tijd dus geen zelfstandig bestaan hebben in de vorm van fysische ether. Ik zie dan ook geen enkele reden om de opvatting van G.W.Leibnitz te verwerpen die stelde dat ruimte en tijd volkomen zuiver relatief zijn. Ik denk alleen dat het duidelijker is te stellen dat afstanden en periodes zuiver relatief "er-zijn" en dat ruimte en tijd helemaal niet "Zijn", niet werkelijk en niet actueel.

In tegenstelling tot M.Heidegger die voornamelijk bezig was met de psychische consequenties van de verschillen tussen "Zijn" en "er-zijn", ben ik bezig met de consequenties van de fysische verschillen tussen "Zijn" en "er-zijn". Ik wil er echter op wijzen dat ook M.Heidegger kennelijk niet onder de indruk was van A.Einstein's natuurkundige opvatting van ruimte en tijd. Hoewel bekend met A.Einstein's theorieŽn stelt hij in "Zijn en Tijd" par.24 dat het "Zijn" van de ruimte en de tijd tot op heden volkomen onbekend en onvoldoende onderzocht zijn (Weber blz.435). Zijn eigen onderscheiding van "Zijn" en "er-zijn" en zijn vaststelling dat "Zijn" een werkwoord is, is in ieder geval al zeer belangrijk voor een onderzoek van "Zijn" van ruimte en tijd. Zeker is dat "Zijn" niet alleen een werkwoord is maar ook impliceert eigenschappen hebben die iets doen en afstanden en periodes hebben die zeker niet. Zeker is zoals al gezegd dat alleen fenomenen die uit iets anders voortkomen en in iets anders over kunnen gaan "Zijn" en dat fenomenen die uit het niets komen en weer in het niets verdwijnen alleen "er-zijn" en zeker niet "Zijn". Iets komt niet uit niets voort en iets wordt nooit niets.

Ik denk ook dat E.Kant gelijk had door te stellen dat we de begrippen ruimte en tijd a priori kennen. Onze geest is deel van, is verbonden met, "Zijn" dat zich zeker bewust is van zichzelf en van de consequenties van "niet-zijn" waaronder ruimte en tijd en daardoor hebben wij ook a priori kennis van ruimte en tijd. Hij sprak ook van het "Ding an Sich" en het is duidelijk dat fenomenen zoals afstanden en periodes geen "Ding an Sich" hebben. Het is duidelijk dat onze realiteit ook gevormd wordt door fenomenen die alleen maar actueel zijn. Onze realiteit, alles wat "er-is" wordt gevormd door er-zijnden die "Zijn" in "niet-zijn" en door er-zijnden die "niet-zijn" in "Zijn". We leven duidelijk in een proces tussen "Zijn" en "niet-zijn" en de realiteit en de betekenis van die tegenstelling moeten wij veel beter gaan beseffen. Ruimte en tijd "Zijn" eenvoudig niet, niet werkelijk en niet actueel, ze zijn slechts aspecten van het absolute niets die wij construeren in onze geest.

 

 

Afstanden en periodes zijn niet de enige fenomenen die alleen maar afhankelijk bestaan. Ook bij de verschillen tussen objecten en de relaties tussen organismen is het verschil tussen "Zijn" en "er-zijn" duidelijk. Anorganische objecten en levende organismen die uit iets anders voortkomen, eigenschappen hebben, zich ontwikkelen en weer in iets anders overgaan "Zijn", maar verschillen en relaties tussen die objecten en die organismen die uit het niets komen, alleen maar aanwezig zijn en weer in het niets verdwijnen "Zijn" niet dat is duidelijk. Zowel voor fenomenen die onafhankelijk "Zijn" als voor fenomenen die slechts afhankelijk "zijn" hetzelfde begrip bestaan gebruiken is irreŽel en zeer slordig maar toch gebruikt men dit vaak zonder te beseffen wat men bedoelt met "bestaan".

Verschillen en relaties moeten wij ook niet als onbelangrijke derivaten negeren, ze "spelen" weliswaar geen rol maar oefenen wel degelijk invloed uit op alles wat er gebeurt. Dit echter alleen door hun aanwezigheid. Verschillen in grootte tussen objecten en relaties tussen organismen komen met de objecten en de organismen uit het niets en verdwijnen met de teloorgang van de objecten en de organismen weer in het niets. Ze hebben geen eigenschappen en doen niets, maar hebben toch veel invloed op de loop der gebeurtenissen. Groter of kleiner heeft zeker een belangrijke rol gespeeld in de evolutie bij b.v. het zoeken naar prooidieren door roofdieren. Relaties tussen mensen en organismen "spelen" geen rol maar hebben passief wel veel invloed op alles wat er gebeurt. De bekende middeleeuwse filosoof Willem van Ockham wees daar destijds al op en wees er daarbij ook terecht op dat God onmogelijk de relaties geschapen kan hebben zonder de objecten (Weinberg, blz.240).

De noodzakelijkheid de realiteit van "niet-zijn" te accepteren wordt nog versterkt  door fenomenen als de duisternis, de koude en de stilte. Die "zijn-er", maar zijn niet meer dan de  afwezigheid van licht, warmte en geluid. En zowel de aanwezigheid als de afwezigheid van licht, warmte en geluid de status van "Zijn" verlenen is natuurlijk een onaanvaardbaar gebruik van het begrip "Zijn". Er zijn geen sub-atomaire fenomenen die de duisternis en de koude  veroorzaken net zo min als er sub-atomaire fenomenen bestaan die de stilte veroorzaken.

Hierbij komen het toeval, de entropie en de traagheid die ook niet meer zijn dan de  afwezigheid van iets. Het toeval is alleen maar de afwezigheid van een oorzaak maar is niet zelf "iets". De entropie is de afwezigheid van structuur, de afwezigheid van wat men negentropie noemt en ook de traagheid volgt uit de afwezigheid van kracht. Ook deze drie fenomenen zijn duidelijk aspecten van "niet-zijn", ze doen niets en "Zijn" niets, ze worden alleen actueel. Ze hebben net als de duisternis, de koude en de stilte, invloed op alle gebeurtenissen en ontwikkelingen maar zijn niet actief en zuiver passief.

Het is duidelijk dat alle fenomenen die niet onafhankelijk bestaan of alleen maar de afwezigheid van iets zijn geen "Ding an Sich" kennen. Het is duidelijk dat zij helemaal geen inhoud hebben, het verschil tussen fysisch "bestaan" en niet-fysisch "bestaan" is duidelijk. Met fenomenen die fysisch bestaan kan arbeid verricht worden of ze kunnen zelf arbeid verrichten, met niet-fysische fenomenen kan geen arbeid verricht worden. Het gaat duidelijk om een fundamenteel verschil dat men in het gewone spraakgebruik vaak domweg over het hoofd ziet. Veel fenomenen "zijn" eenvoudig niet, dat moeten wij zien. Maar dat wil niet zeggen dat het onbelangrijke derivaten zijn zonder betekenis.

Het is duidelijk dat het irreŽel is de vele fenomenen die niet onafhankelijk bestaan domweg af te doen als derivaten. Natuurkundigen zien verschillen en relaties als derivaten omdat ze niet onafhankelijk bestaan, dit terwijl de waarde van de relativiteitstheorieŽn staat of valt met de zijnsstatus van afstanden en periodes die net zo duidelijk alleen maar afhankelijk bestaan als verschillen en relaties. Ze kunnen niet ontkennen dat die "derivaten" van invloed zijn op de ontwikkelingen. Een "Theorie van Alles" trachten te ontwikkelen met volledige  negatie van de duidelijke invloed van deze "derivaten" op de ontwikkelingen, met negatie dus van de tegenstelling Zijn/niet-zijn, kan onmogelijk werkelijk tot een "Theorie van Alles"voeren, de tegenstelling Zijn/niet-zijn is daarvoor te nadrukkelijk aanwezig in onze realiteit. Zelfs al zouden zij hun natuurkundige "Theorie van Alles" kunnen construeren dan zou die nog zeer aanvechtbaar zijn vanwege de stortvloed van derivaten en losse einden.

Het absolute Niets verschijnt aan ons in allerlei tegenstellingen van aspecten van "Zijn". Ook M.Heidegger stelde in een toespraak van 1929 dat het absolute Niets grote invloed heeft op ons denken en dat de opvatting "niets is niets" te simpel en irreŽel is. Hij sprak van "Nietsen" maar ik denk dat het reŽler is het belang in te zien van de actualiteit van de aspecten van "niet-zijn". Het is zeer belangrijk dat men inziet dat waarneembaar zijn beslist niet hetzelfde is als "Zijn". "Zijn" roept onvermijdelijk de aspecten van "niet-zijn" op die uit het niets komen en weer in het niets verdwijnen, alleen actueel zijn en alleen maar passief "bestaan", terwijl alles wat "is" eigenschappen heeft, werkzaam is, uit iets anders voortkomt en in iets anders overgaat.

Ik denk dat "Zijn" uit zichzelf is en zich bewust is van zichzelf en van de voor "Zijn" ondraaglijke aspecten van absoluut Niets zoals de leegte, de eeuwigheid, de duisternis, de entropie, het toeval etc. En dat uit die tegenstelling alles wat "er-is" is ontstaan. Wij leven in een proces tussen "Zijn" en "niet-zijn", dat blijkt gewoon glashelder uit wat wij waarnemen als we oplettend kijken, dat is geen geloof, dat is wetenschappelijk verantwoord. Die tegenstelling ligt aan de basis van de sub-atomaire wereld.

 

 

Ook de posities van objecten in ruimte en tijd hebben beslist geen fysieke inhoud. Ook zij hebben geen eigenschappen, oefenen geen invloed uit en komen uit het niets en verdwijnen weer in het niets.Posities worden alleen en uitsluitend actueel en "zijn-er" alleen en uitsluitend als gevolg van de aanwezigheid van andere objecten. Maar door de aanwezigheid van andere objecten krijgen zij geen fysieke inhoud, ze zijn duidelijk alleen maar actueel. Geen enkel object neemt zoals bekend een plaats in, alle objecten hebben slechts posities, er zijn geen absolute plaatsen. Een object is een ding, is iets, de positie niet, die "is" niet, die "is-er" alleen maar. Objecten oefenen invloed op elkaar uit, posities niet, die doen helemaal niets, ze zijn het gevolg van samenspel van krachten maar "Zijn" zelf niet. Het is zeer belangrijk voor het begrip "beweging" dit goed in te zien.

Een beweging is duidelijk niet meer dan een verandering van positie, het continu doorlopen van zuiver relatieve posities van een object ten opzichte van andere objecten, het continu doorlopen van verhoudingen die geen inhoud hebben. Daarom geldt voor de beweging net als voor afstanden, periodes, verschillen en verhoudingen dat het niet relatief  "is", maar slechts relatief  "er-is", dat het geen fysische inhoud heeft en een "niet-zijnde" is. Ook bewegingen "zijn-er" alleen en uitsluitend als gevolg van de aanwezigheid van andere objecten, in een verder lege ruimte kan een object niet bewegen. Het begrip "afstanden afleggen" is net zo irreŽel als het begrip "absolute plaats". Er zijn in feite alleen maar positie-veranderingen, maar wij ervaren dat als afstanden afleggen omdat dat gewoonlijk doelgericht is, er kracht voor nodig is en omdat het vermogen van onze zintuigen beperkt is.

Er is geen enkel verschil tussen de positie-verandering die het gevolg is van een impuls van het bewegend object of een die het gevolg is van de positie-verandering van alle andere objecten zoals o.a. Leibnitz (Metafysische Verhandeling, blz.119) en ook anderen al hebben gezegd. Leibnitz wijst er hierbij op dat alleen op de waarneming van onderlinge positie-verandering van twee lichamen het niet mogelijk is aan te geven welk lichaam beweegt en welk niet. In een ruimte met slecht twee lichamen is het onmogelijk vast te stellen welke van de twee naar de ander beweegt, want beweging "is-er" zuiver relatief.

Beide "bewegingen" zijn exact hetzelfde terwijl de tweede niet meer is dan volslagen passief zijn van het "bewegend" object en dus geen fysische inhoud kan hebben. De beweging is geen fysisch fenomeen net zoals de verandering van b.v. water in ijs. Die verandering is een gebeurtenis in "zijnden", maar de beweging is een verandering in "niet-zijnden" Ook de beweging is een gebeurtenis, maar een gebeurtenis is geen fysisch fenomeen. De beweging "is" niet relatief maar "is-er" alleen maar relatief net zoals het verschil tussen een paar objecten alleen maar relatief "er-is". Het verschil tussen de status van de oorzaak van een beweging en de beweging zelf is even groot als het statusverschil tussen objecten en hun onderlinge verhoudingen en afstanden. Het is even groot als het statusverschil tussen een object en zijn schaduw. De schaduw "is"ook niets, is alleen de afwezigheid van licht.

G.Galilei heeft er al op gewezen dat de beweging zelf absoluut geen enkele invloed heeft op de fysische inhoud van het bewegend object en dat het voor het object totaal niets uitmaakt of het beweegt of in rust is. Ook zijn wet van de traagheid wijst er op dat de beweging niet werkelijk bestaat maar slechts "er-is". Alleen de weerstand van andere objecten heeft invloed op de fysieke inhoud van het object. De invloed van de beweging zelf is nihil, de positie-verandering is zuiver relatief, dus is het onjuist de beweging zelf fysische inhoud te geven. De bewegingen zelf "zijn-er" zuiver relatief, hebben geen fysische inhoud en hebben geen invloed op de fysische inhoud van het object.

Als er in de ruimte maar ťťn object zou zijn zou dat niet kunnen bewegen en als men dat object in meerdere delen zou splitsen en de posities van die delen ten opzichte van elkaar wisselen, ze bewegen dus en daarna weer aan elkaar zetten zou dat volgens mij geen enkele invloed hebben op de totale fysische inhoud van dat object. Energie komt niet uit niets en vergaat niet in niets. Er bestaan geen hoeveelheden beweging, de beweging bestaat niet onafhankelijk en A.Einstein's postulaat van de fysische interpretatie van de beweging kan dus niet juist zijn en als de beweging niet onafhankelijk bestaat kunnen de ruimte en de tijd ook niet onafhankelijk bestaan.

De beweging is niet zelf "iets", de beweging is een "niet-zijnde" en is geen "ding". Bewegingen "zijn-er", bewegingen zijn reŽel, maar "er-zijn" impliceert niet "Zijn". Dat wil niet zeggen dat ze een illusie zijn zoals Parmenides dacht, maar ze "Zijn" niet, ze  "zijn-er" alleen maar, ze zijn alleen maar actueel en daarvan zijn wij ons gewoonlijk onvoldoende bewust.  

Dat hergroeperen van niet-zijnden zonder fysische inhoud heeft zelf ook geen fysische inhoud en daarom is ook de beweging ondeelbaar, iets wat 2500 jaar geleden al door de Griek Zeno is verdedigd.. Bewegen doet een object in ruimte en tijd en die zijn beiden ondeelbaar en dus de beweging ook. Wij moeten van handelingen zoals delen die we kunnen doen met "zijnden" niet zonder meer aannemen dat we die ook kunnen doen met "niet-zijnden", dat is irreŽel. Een fenomeen dat niets is kan net zo min gedeeld als gebogen worden. De beweging is niet continu net zo min als de ruimte dimensies heeft, beiden hebben geen enkele eigenschap. ContinuÔteit en dimensies zijn abstracte constructies van ons verstand die wij gebruiken om de realiteit te begrijpen maar ze zijn niet toepasbaar op niets, ze zijn toepasbaar op zijnden, niet op niet-zijnden . ContinuÔteit verlenen aan ruimte, tijd en beweging is een eigenschap geven aan niet-zijnden en dat kan niet, alleen zijnden kunnen eigenschappen als continuÔteit hebben, niet-zijnden hebben geen eigenschappen.

Zeno verdedigde destijds de ondeelbaarheid van de ruimte door te stellen dat als die wel deelbaar zou zijn iemand die een afstand af  moet leggen eerst de helft zou moeten lopen, daarna de helft van wat er over was en verder steeds weer de helft zodat de persoon nooit aan het eind zou komen omdat hij een oneindige reeks van afstanden zou moeten doorlopen en dat kan niet. In feite zou het dan onmogelijk zijn te bewegen. Er zijn in de loop van 2500 jaar tevergeefs al heel wat constructies bedacht om de paradoxen van Zeno op te lossen. Maar de oplossing is natuurlijk eenvoudig dat Zeno gelijk had en dat ruimte en tijd ondeelbaar zijn want ze "Zijn" niets en niets is alleen in gedachte deelbaar. Afstanden zijn ondeelbaar, "zijn-er" alleen maar, zijn alleen maar actueel, zijn gewoon niets en niets kan men alleen in gedachte delen maar niet werkelijk. Aan een schaduw zelf kan men niets veranderen, men kan iets doen met het object dat de schaduw veroorzaakt maar men kan niets doen aan de schaduw zelf. Zo kan men ook aan een afstand zelf helemaal niets doen, alleen iets veranderen door  objecten te verplaatsen, aan de afstand zelf kan men niets doen, ook delen kan men een afstand niet, aan niets kan men ook niets veranderen. Het veranderen van een afstand is het gevolg van iets dat wij doen, het is niet dat wat wij doen. 

 

 

In een lege ruimte waarin verder niets gebeurd kan een object niet bewegen en dus ook geen snelheid ontwikkelen. Ook de snelheid van een beweging is niet meer dan de verhouding van de lengte en de duur van de beweging tot allerlei andere gebeurtenissen. Net zoals de beweging alleen maar relatief "er-is", zo geldt ook voor de snelheid dat ze geen fysische inhoud heeft, niet relatief  "is", maar zuiver en alleen relatief  "er-is" ten opzichte van andere bewegingen en dat is een belangrijk verschil. Snelheid is een fenomeen zonder eigenschappen. Ook snelheid is een fenomeen dat niet onafhankelijk bestaat.

Snelheid  =  ruimte/tijd en zowel ruimte als tijd zijn ondeelbaar. Snelheid kan daarom alleen uitgedrukt worden in fictieve aantallen hoeveelheden van ruimte en tijd. We stellen snelheid vast door het gebruik van hoeveelheden ruimte- en tijdeenheden die in werkelijkheid niet bestaan, die daardoor volkomen gelijkwaardig zijn en waarvan de keuze dus volkomen willekeurig is. De ruimte- en tijdeenheden waarin men snelheid omschrijft en ook alleen maar kan omschrijven zijn allemaal irreŽel en slechts producten van onze geest want Zeno had gelijk, er bestaan geen eenheden van ruimte en tijd.

Snelheid wordt volgens internationale afspraak uitgedrukt in de SI-eenheden m(eter) en s(econde) die dus in feite niet bestaan en volkomen willekeurig zijn. Het is duidelijk dat b.v. 5 appels veelheid is. maar 5 meter of 5 seconde niet die vormen een eenheid. Stellen dat het afleggen van 20 meter in 5 secondes een snelheid van 4 meter per seconde impliceert is dus in feite niet reŽel. Het is niet meer dan zuivere mathematica want ruimte delen door tijd kan niet werkelijk, maar alleen in onze gedachte. Meters en secondes bestaan eenvoudig niet en delen met ruimte- en tijdeenheden is mathematisch  natuurlijk volkomen correct, maar niettemin ook volkomen irreŽel. Snelheid valt niet onder natuurkunde want snelheid bestaat niet werkelijk.

Een afstand van 20 meter is ťťn ondeelbaar fenomeen, ťťn ondeelbare afstand, die niet bestaat uit 20 stukken maar vergeleken wordt met een standaardafstand. Het gaat bij "20 meter" niet om een gedetailleerde omschrijving van een object maar om naamgeving en de mogelijkheid om vergeleken te worden te geven aan een fenomeen, meer niet. Het gebruik van eenheden en getallen bij snelheid komt alleen voort uit de behoefte die snelheid te kunnen benoemen en te vergelijken met andere snelheden, niet uit de noodzaak om iets te tellen, er valt niets te tellen want er bestaan geen hoeveelheden ruimte en tijd.

Die getallen en de eenheden zijn niet reŽel en men beseft hierbij vaak onvoldoende dat de getallen die men hierdoor verkrijgt zuiver fictief en relatief zijn. Men gebruikt SI-eenheden omdat men behoefte heeft aan consistentie in de notering van snelheden, maar die SI-eenheden zijn slechts een afspraak en leveren alleen die consistentie op, het gebruik levert geen reŽle relaties. De getallen die het oplevert hebben geen binding met de realiteit want er bestaan geen eenheden van ruimte en tijd. Snelheid is niet door reŽle getallen weer te geven, alleen door fictieve hoeveelheden ruimte en tijd die niet werkelijk bestaan. Er is per definitie geen enkel verband tussen ongeacht welke snelheid en ongeacht welk getal want de eenheden van ruimte en tijd waar het getal betrekking op heeft bestaan niet en de keuze ervan is volkomen willekeurig.

Ruimte en tijd zijn ondeelbaar want ze zijn niets. Bij de kwantificering en mathematisering van afstanden, periodes en snelheden hebben de natuurkundigen volgens mij duidelijk onvoldoende nagedacht over de zijnsstatus van deze fenomenen. Zij hadden zich beter moeten realiseren dat er helemaal geen ruimte- en tijdeenheden en ook geen hoeveelheden beweging of snelheid bestaan. Hierover, over de zijnsstatus van de beweging en de snelheid is door diverse filosofen zoals AverroŽs, Ockham en Leibnitz beter nagedacht, iets waarop ik verder in deze tekst terug zal komen. Ook moderne fysici kennen het relatieve karakter van de snelheid. Zij zeggen dat de snelheid relatief "is". Maar of zij ook er mee akkoord gaan dat die eigenlijk alleen maar relatief "er-is" weet ik niet want dat heeft zijn consequenties voor hun opvattingen over ruimte en tijd. Maar zowel de genoemde filosofen als de opvattingen van moderne fysici steunen in feite mijn opvatting over beweging en snelheid. Ook hier kom ik nog op terug.

Ook het zogenaamde kwadraat van een snelheid is daarom uiteraard iets dat in feite niet bestaat. We kunnen alleen maar vermenigvuldigen met getallen, niet met fenomenen en dus ook niet met snelheden. Een snelheid "is" niet iets en met niets kan men eenvoudig niets doen, met een snelheid net zo min als met een verschil of met een schaduw. Eenvoudig omdat het alleen maar relatief "er-is", niets is en ook geen getalwaarde heeft. Het is gewoon een mathematisch spookbegrip. Wat kwadrateert men dan toch ?  Snelheid bestaat in de zin van "er-zijn", het zogenaamde kwadraat van een snelheid bestaat helemaal niet, ook niet in die zin. De beweging en haar snelheid is in feite een gebeurtenis, een verandering en gebeurtenissen en veranderingen zijn fenomenen waar de Griekse filosofen al problemen mee hadden. Parmenides noemde ze "Illusies:" maar volgens mij zijn het "niet-zijnden". De beweging is zuiver een gebeurtenis en gebeurtenissen zijn niet kwadrateerbaar.

Het kwadraat van b.v. 2 meter per seconde, 2 m/s, noteert men als 4 m≤s≤ maar het is duidelijk dat de notering m≤s≤ niet correspondeert met iets in de realiteit, ook niet met m/s, met die snelheid dus, met andere woorden dat dit geen natuurkunde meer is. Meters en secondes bestaan niet, afstanden en periodes "zijn-er" alleen maar relatief, zijn niets en hebben geen getalwaarde. Afstand x afstand en periode x periode zijn derhalve onmogelijke operaties en m≤s≤ is niet meer dan een irreŽel product van zuiver mathematisch fantaseren. Het zogenaamde kwadraat van een snelheid is een product dat niets, maar dan ook totaal niets, met de snelheid in kwestie meer te maken heeft.

Men stelt in de natuurkunde dat kinetische energie Ĺmv≤ is en dat is voor mij als niet-natuurkundige volkomen onbegrijpelijk. Volgens mij kan men alleen maar stellen dat men Ĺmv≤ kinetische energie noemt maar niet dat het kinetische energie is. De getalwaarde die men hier aan v toevoegt door het gebruik van meters en secondes is volkomen willekeurig en Ĺmv≤ kan onmogelijk een natuurkundige relatie zijn en kan niet meer zijn dan een conventie. Er bestaan eenvoudig geen hoeveelheden ruimte en tijd, beweging of snelheid en daarom bestaat er ook geen reŽel verband tussen zogenaamde kwadraten van snelheden en getallen. Toevoeging van een getal aan het zogenaamde kwadraat van een snelheid is puur kunstmatig en in tegenspraak met de aard van de beweging en de aard van de snelheid die "niet-zijnden" zijn. Er bestaan helemaal geen hoeveelheden en getallen die bij snelheden horen.

Snelheid heeft dezelfde zijnsstatus als een verschil of een schaduw en snelheden kwadrateren is in feite even irreŽel als het etiketteren van verschillen of het schilderen van schaduwen. Nogmaals: Wat kwadrateert men dan toch ?

 

 

Als gevolg hiervan kan volgens mij de gewone notering van A.Einstein's bekende formule E = mc≤ niet reŽel zijn want ook c, de snelheid van het licht, kan alleen maar uitgedrukt worden in eenheden van ruimte en tijd die niet bestaan en volkomen willekeurig en allemaal gelijkwaardig zijn. De snelheid van het licht, al of niet constant,  bestaat net als alle snelheden alleen afhankelijk, heeft geen inhoud en geen echte getalwaarde en c≤ heeft dus ook geen getalwaarde. De vaak gebruikte notering van c in 30 miljard cm. per seconde, oftewel 30 miljard maal c gedeeld door 30 miljard, is volkomen willekeurig en heeft evenveel waarde als ongeacht welke andere notering, c is x keer c/x geldt voor iedere x. Die notering is een vereenvoudiging van de formule E = mc≤/v≤ waarvan men v≤ weglaat omdat v≤ zo onbeduidend is ten opzichte van c≤. Maar ook de notering E = mc≤/v≤ is zeer aanvechtbaar want zoals al gezegd, c en v zijn geen normale reŽle getallen en kwadraten van snelheden en dus ook c≤ en v≤ zijn zuiver mathematische constructies die niets met de natuurkunde en ook niets met de snelheden in kwestie te maken hebben.

Maar het belangrijkste hierbij is natuurlijk dat hierdoor volkomen verkeerd de indruk wordt gewekt dat de getalwaarde van de factor voor de omrekening van energie in materie waar het hier om gaat door de snelheid van het licht bepaald zou worden. C bestaat echter ook alleen maar afhankelijk en iedere getalwaarde die men aan c toekent is irreŽel, want ook constante snelheid moet worden uitgedrukt in ruimte- en tijdeenheden  die niet bestaan. De getalwaarde van de factor waar het hier om gaat wordt niet bepaald door de snelheid van het licht maar door de verhouding c/v. De verandering van c≤/v≤ in c≤, de verandering van het kwadraat van een verhouding in het kwadraat van een snelheid is daarom niet verantwoord, c≤/v≤ is een verhouding, een getal, c≤ duidelijk niet, c≤/v≤ is een groot getal, c≤ is geen groot getal, c is helemaal geen getal en heeft ook helemaal geen getalwaarde. Ook de snelheid van het licht, of die wel of niet constant is, is een fenomeen dat, net als een schaduw, niet onafhankelijk bestaat, slechts relatief "er-is" en geen getalwaarde kent. Ook bij c≤ mag men dus vragen: Wat wordt er nu eigenlijk gekwadrateerd ?

De enig mogelijke juiste notering van de vergelijking kan volgens mij E = m(c/v)≤ zijn. maar zeker is dat die vergelijking niets met de snelheid van het licht te maken heeft want (c/v)≤ is een getal en een getal kan niets te maken hebben met de snelheid van het licht omdat snelheden, ook constante snelheden, geen getalwaarde kennen. Er bestaan helemaal geen factoren die iets met een snelheid te maken hebben en ook de factor (c/v)≤ kan niets met de snelheid van het licht te maken hebben ook al zou dat inderdaad constant zijn. Voor omrekening van energie naar materie is een factor, een getal, nodig en snelheden, ook die van het licht, kennen helemaal geen getal. Ook het zogenaamde kwadraat van de snelheid van het licht is niets en niets kan geen relatie hebben met iets en ook dat zogenaamde kwadraat van de snelheid van het licht heeft dus per definitie niets met de snelheid van het licht te maken. Of E = (m/c)≤ juist is weet ik niet, maar ik ben er wel zeker van dat het niets met de snelheid van het licht te maken heeft. Zeker hierbij is dat het voor een leek volkomen onbegrijpelijk is waarom de factor die nodig is voor de omrekening van energie naar materie iets te maken zou hebben met een willekeurige notering van de snelheid van het licht.

Men moet zich goed realiseren dat als c, of ongeacht welke snelheid, gekwadrateerd wordt men niet meer bezig is met natuurkunde maar met zuivere mathematica die geen binding heeft met de realiteit. A.Einstein begint wel met de snelheid van het licht, maar zodra hij die zogenaamd kwadrateert is hij niet meer met die snelheid bezig maar met een wiskundige constructie. A.Einstein is bezig met volledig wiskundige formules als c≤ en v≤ die niets, maar dan ook niets met de realiteit, met snelheden, te maken hebben. Ze hebben alleen getalwaarde in verhouding tot elkaar maar zijn op zichzelf volkomen irreŽel en hebben met natuurkunde niets te maken. Er is veel kritiek, ook van natuurkundige zijde zelf dat diverse moderne natuurkundige theorieŽn weinig of niets meer met de realiteit te maken hebben en dat geldt volgens mij al voor het kwadrateren van snelheden. De moderne natuurkunde is tevreden met onderlinge consistentie, maar onderlinge consistentie impliceert niet reŽel verband met de snelheden zelf. Het kwadraat van een snelheid is per definitie niets en men kan er dus ook niets mee doen, ook niet mee rekenen. Ook A.Einstein besefte onvoldoende dat hij niet meer met natuurkunde maar met zuivere mathematica bezig was.

Ook moderne fysici stellen dus dat snelheid relatief is, maar ik moet mij wel afvragen wat zij hiermee precies bedoelen. Zij nemen met A.Einstein ook aan dat de snelheid van het licht absoluut is en niet relatief in die zin dat die constant is ten opzichte van een bewegende waarnemer. Maar dat is iets anders als in de zin van alleen maar "er-zijn". Gaan zij er inderdaad mee akkoord dat dat eigenlijk moet zijn dat snelheid niet relatief "is" maar alleen relatief "er-is", geen enkele fysische inhoud heeft dus ? Accepteren zij niettemin A.Einstein's fysische interpretatie van de beweging ? Ik zie dus dat ook een moderne fycisus het met Christiaan Huygens eens is dat snelheid alleen maar relatief is (Icke V., blz.26 en verder). Men is het in de moderne natuurkunde kennelijk hiermee eens.

Maar als natuurkundigen inzien dat snelheid relatief  "is" zullen zij na wat dieper nadenken over het begrip "zijn" toe moeten geven dat dat moet zijn relatief "er-is". Ook fysici zullen toe moeten geven dat "relatief zijn" een in zichzelf tegenstrijdig begrip is. Relatief waargenomen worden wil zeggen dat de waarneming afhankelijk is van andere objecten en dat het fenomeen waar het om gaat zelf niets is. "Relatief zijn" is zoals al gezegd een even dwaas begrip als het begrip "vierkante cirkel", een tegenspraak in zichzelf en dit moet vervangen worden door relatief  "er-zijn". Maar dan zal men toch toe moeten geven dat als c alleen maar relatief "er-is", slechts bestaat in de zijn van "er-zijn", dat c≤ dan niet meer kan zijn dan een mathematische constructie, een spookbegrip, iets dat helemaal niet bestaat, ook niet in de zin van "er-zijn". Ze zullen dan toe moeten geven dat het begrip c≤, net als v≤, net als het kwadraat van iedere snelheid, volkomen irreŽel is, niets met natuurkunde te maken heeft en dat het getal dat daaruit voortkomt niet meer is dan een hersenspinsel net als ieder kwadraat van een snelheid.

Zeker is dat de ruimte- en tijdeenheden die A.Einstein moet gebruiken om de snelheid van het licht te omschrijven niet bestaan in de zin van "zijn". Als ze wel zouden bestaan in de zin van "zijn" zou ruimte en tijd deelbaar zijn en zouden wij volgens de paradoxen van Zeno, die nooit weerlegd zijn, niet eens kunnen bewegen. En natuurkundigen die de aanname van Huygens dat de beweging niet bestaat accepteren kunnen onmogelijk stellen dat ruimte en tijd wel bestaan want beweging en snelheid is ruimte/tijd. A.Einstein's redeneringen zullen wel consistent zijn maar de binding er van met de realiteit, met de snelheid van het licht, is zeer aanvechtbaar. En dat geldt ook voor zijn fysische interpretatie van de beweging.

 

 

Deze visie op de aard van de beweging en de snelheid is zeker niet alleen van mij maar heeft al een lange geschiedenis en komt beslist niet uit de lucht vallen. Die aard was ook al een onderwerp van discussie in de Arabische cultuur toen er daar gedebatteerd werd over twee opvattingen inzake de aard van de beweging. Enerzijds de forma fluens (stromende vorm) en anderzijds de fluxus formae (stroom van een vorm). De eerste was verdedigd door o.a. AverroŽs, de tweede was verdedigd door Avicenna. Albertus Magnus nam de discussie over naar het Westen (Dijksterhuis, blz.193/4).

In de 14e eeuw ging de discussie daar voort met voor de eerste opvatting Willem van Ockham en voor de tweede Jean Buridan. Ockham voerde voor de verdediging van de eerste opvatting aan dat de beweging een naamwoord is dat niet verwijst naar een bestaande entiteit, dat beweging dus geen ding is, niet iets afzonderlijks is, maar gewoon het object zelf en de plaatsen die het bezoekt. Hij stelde dat de beweging een proces is, geen ding (Lindberg, blz.286/7). Nicolas d'Autrecourt (Withrow, blz.150) nam aan dat de beweging een relatie is en geen kwaliteit. Hier tegenover verdedigde Buridan de tweede opvatting dat de beweging als afzonderlijke kwaliteit, als eigenschap gezien moest worden, als een niet nader te definiŽren kwaliteit die bestaat, onafhankelijk van het bewegend lichaam en de posities die het doorloopt.

Hierbij speelden allerlei theologische aannames, verboden van de Kerk en de leer van Aristoteles een rol maar het kwam er uiteindelijk op neer dat de beweging wel iets onafhankelijks is, maar iets dat men niet nader kan omschrijven, iets afzonderlijks als een eigenschap of een kwaliteit (Dijksterhuis, blz.103/4). Volgens Ockham was beweging noch een eigenschap, noch een kwaliteit en volgens Buridan was het wel iets. De mening van Buridan behield uiteindelijk de overhand. Bij Dijksterhuis en ook elders heb ik niets kunnen vinden dat deze botte negering van wat AverroŽs en  Ockham hierover gezegd hebben rechtvaardigt en dat is bevreemdend. De mening van Buridan had toch slechts de overhand gekregen op basis van theorieŽn van Aristoteles die men vrij snel daarna niet meer serieus nam en als gevolg van theologische inmengingen die men ook vrij snel terzijde had gelegd.

Newton spreekt van "hoeveelheid beweging" en van massa x snelheid zonder argumenten aan te voeren waarom hij denkt dat beweging en snelheid hoeveelheden kunnen zijn, zonder iets te zeggen over de aard van de beweging, kennelijk vanuit zijn overtuiging dat ruimte en tijd absoluut zijn. Zijn in vele opzichten tegenstander Leibnitz, die het relationele karakter van ruimte en tijd voorstond begreep beter de aard van de beweging toen hij stelde: "Beweging, precies en formeel beschouwd, dat wil zeggen als verandering van plaats, is niet iets dat werkelijk bestaat" (Metafysische Verhandeling, par.18, blz.118/9).

Ook Chr.Huygens stelt: "Volgens mij kunnen beweging en rust slechts betrekkelijk zijn en van hetzelfde onderwerp waarvan sommigen zeggen dat het in rust is, kan men zeggen dat het beweegt ten opzichte van andere voorwerpen, en aldus is de ene beweging niet meer werkelijk dan de andere"(Icke, blz.31). Ook hij stelt dat rust gelijk is aan beweging, met andere woorden dat de beweging een "niet-zijnde" is. Ook hij zag ruimte en tijd als zuiver relatief en ook hij zou A.Einstein's fysische interpretatie er van verworpen hebben.

Kennelijk omdat de theorie van I.Newton alles zo schitterend leek en lijkt te verklaren heeft men niet getwijfeld aan zijn impliciet gestelde opvatting over de aard van de beweging als hij onbevangen spreekt over de "hoeveelheid beweging" alsof er geen enkele twijfel mogelijk is dat de beweging helemaal geen hoeveelheid kan zijn. Ik heb nergens een argumentatie kunnen vinden die deze keuze rechtvaardigt. Niettemin had die cruciale vraag toch duidelijk behandeld dienen te worden. Ik zie nergens waaraan Newton het recht ontleend te kiezen voor de beweging als afzonderlijke entiteit met fysische inhoud, ik zie nergens een geloofwaardige argumentatie die dit rechtvaardigt terwijl AverroŽs, Ockham, Leibnitz en Huygens toch geen figuren zijn die men botweg negeren mag en ook niet hun argumentatie. 

Ik denk dat de beweging, net als de afstanden en de periodes, een niet-zijnde is. Als de huidige natuurkundigen inzien dat de beweging slechts relatief "is" moet het niet moeilijk zijn om het met mij eens te zijn dat dat eigenlijk moet zijn slechts relatief "er-is" en dat de beweging, zoals Leibnitz en Huygens stellen, niet bestaat. En daarna kan men moeilijk volhouden dat ruimte en tijd wel iets zouden zijn. En als men beseft dat dus ook snelheid niet bestaat en geen getalwaarde heeft zal men toe moeten geven dat het begrip "kwadraat van een snelheid" een onhoudbaar onbegrip is.

Ik kan de waarheid van de relativiteitstheorieŽn en de formule E=mc≤ als niet-natuurkundige niet beoordelen maar geloof wel te mogen zeggen dat A.Einstein's opvatting over ruimte en tijd moeilijk te geloven is en als leek te mogen stellen dat de filosofische basis van de relativiteitstheorieŽn op zijn minst zeer aanvechtbaar is. Zijn theorieŽn staan of vallen met de geloofwaardigheid van zijn fysische interpretatie van ruimte, tijd en beweging en die berust op niet meer dan een postulaat. Zeker is dat het hierbij in ieder geval op zijn minst gaat over een duidelijk slecht doordachte en zeer aanvechtbare visie op de aard van de beweging en de snelheid.

Het belangrijkste voor mij is hierbij echter dat vanuit het denken van diverse belangrijke filosofen en ook vanuit een oplettende kijk op onze realiteit de stelling acceptabel is dat onze realiteit een proces is tussen "Zijn" en "niet-zijn". Het is duidelijk dat niet alles wat aan onze zintuigen verschijnt ook daadwerkelijk iets is. Er zijn heel wat fenomenen die alleen maar relatief "er-zijn" en geen fysische inhoud hebben en theorieŽn die de hele verzameling als derivaten en losse einden onder de wetenschappelijke tafel schuiven maken zich daar dan toch wel erg makkelijk van af.

Men kan toch onmogelijk ontkennen dat alles wat "er-is" te splitsen is in fenomenen die "zijn" en in fenomenen die "niet-zijn", die alleen maar actueel zijn en niet "iets" zijn dat door de natuurkundigen gemeten kan worden. Men kan toch niet ontkennen dat Hegel gelijk had toen hij stelde dat "Zijn", "niet-zijn" oproept. Gebruik van gezond verstand en zintuigen is voldoende om in te zien dat onze realiteit bestaat uit "zijnden" en "niet-zijnden"  en dat wij leven in een proces tussen "Zijn"en "niet-zijn". Dat is de diepere kern van ons bestaan en dat moeten wij veel beter gaan begrijpen.

De filosofie kan er volgens mij niet om heen een splitsing van onze realiteit te aanvaarden in fenomenen die "Zijn" en fenomenen die "niet-zijn". De noodzaak hiervan is even duidelijk als die van het onderscheid tussen anorganische en organische fenomenen dat kan niet ontkend worden. De ontologie van de fysica zit momenteel muurvast bij de zoektocht naar de formule voor alles. Wellicht biedt de filosofische dialectiek een oplossing. Per slot van zake is dit ook de taak van de filosofie.

                                                                                                                                                                   Sjef Denissen.

Literatuur:

Capek Milic            The Concepts of Space and Time                   D.Reidel Publishing Co., Dordrecht/Boston, 1976.

Dijksterhuis E.         De Mechanisering van het Wereldbeeld         Meulenhoff, Amsterdam, 1950.

Einstein A.              De Relativiteitstheorie (1949)                         Elmar B.V., Rijswijk, 1997.

Icke V.                   Christiaan Huygens                                          Historische Uitgeverij, 2005.

Karskens M.           Leibnitz, Metafysische Verhandeling                Wereldvenster, Bussum 1981.

Lindberg D.            Pioniers v/d Westerse Wetenschap                  Boom, Meppel, 1995.

Weber A.M.           De Meningen v/d Filosofen, Deel 1                  Konstapel, Gronigen, 1981.  

Weinberg J.            Short History of Medieval Philosophy             Princeton University Press, Princeton, NJ, 1991.

Whitrow G.            Het Tijdsbegrip in de Moderne Wetenschap    Spectrum, Utrecht, 1965.

 

Home